100e VOC-Blog: Het grote Peter Cohen interview

  • SHARE:
  • Tweet this

April 9th, 2010 | 12:42
Door webmaster

Hij komt speciaal uit Frankrijk om een speech te geven op Cannabis Bevrijdingsdag: Peter Cohen. Als honderdste VOC-Blog een uitgebreid interview met deze wereldvermaarde ‘drugsprofessor’, eerder verschenen in EssensiE 152, februari 2010.

Waarom Peter Cohen de strijd voor beter drugsbeleid heeft opgegeven

‘Het hele gedoe rondom verslaving is voodoo’

Weinig mensen weten zoveel van drugs en drugsbeleid als Peter Cohen (67). Decennia lang zette hij zich in voor een rationele benadering van het ‘drugsprobleem’. Maar hij heeft de strijd opgegeven, want: ‘Je moet niet tegen de wind in proberen te pissen’. Een gesprek op niveau over verslaving als culturele constructie, de mythologie rondom drugs en ‘al die onzin over nicotine en tabak’.

Tekst & fotografie: Derrick Bergman / Gonzo media

Peter_Cohen_2009_876Wie is Peter Cohen?

Peter Cohen (Haarlem, 1942) studeerde in de jaren zestig experimentele sociale psychologie en sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Vanaf 1980 specialiseerde hij zich in drugs en drugsbeleid. Hij voerde een groot aantal onderzoeken uit en was directeur van het Amsterdam Drug Research Program van de UvA en later van het Centrum voor Drugsonderzoek (CEDRO).
Cohen adviseerde regeringen en organisaties, zoals bij de oprichting van het Observatoire de Drogues van de Europese Unie en bij het Global Cocaine Project van de WHO (World Health Organisation). In 1990 publiceerde hij zijn dissertatie ‘Drugs as a social construct’. Drie jaar later won hij de Lindesmith Award van de Amerikaanse Drug Policy Foundation.
Nog steeds is Cohen een veelgevraagd spreker op conferenties over drugs en drugsbeleid over de hele wereld. Sinds zijn pensionering in 2007 woont hij in Frankrijk; hij heeft een pied-à-terre in Amsterdam West. Veel van zijn prikkelende artikelen zijn terug te vinden op de CEDRO-website: www.cedro-uva.org/cohen

"Iedereen is altijd verslaafd. Want mensen kunnen niet zonder bindingen."

"Iedereen is altijd verslaafd. Want mensen kunnen niet zonder bindingen."

Peter Cohen is even in Nederland: het grootste deel van het jaar woont hij in Frankrijk. Zijn jeugd bracht hij door in Alphen aan de Rijn, in een ‘kleinburgerlijk milieu’. Hij doorliep de middelbare school in Amsterdam, een van zijn klasgenoten is de latere psychiater Freek Polak, nog steeds een goede vriend. ‘Die tijd heeft er voor gezorgd dat ik openstond voor van alles, ik wilde best allerlei nieuwe dingen leren, horen en meemaken’. Cannabis bijvoorbeeld, dat hij rond 1959 leert roken als figurant bij de Nederlandse Comedie. ‘Ik vond dat leuk, ik vond die marihuana lekker. Het was trouwens geen marihuana, wij rookten hasjiesj. Toen ging ik het ook wel zelf kopen, ik had al gauw genoeg contacten.’

Voordat je je rond 1980 ging verdiepen in drugs was je alleen recreatief betrokken bij het onderwerp?
‘Ja, helemaal. En je kon ook alle standaard ideeën over drugs bij mij terugvinden.’

(Beeld: Comedy Central)

(Beeld: Comedy Central)

Ondanks het feit dat je blowde?
‘Ja. Blowen, dat was goed, maar heroïne, cocaïne, speed, dat was allemaal des duivels. Ik herinner me nog, toen mijn dochter begin jaren zeventig werd geboren, gingen vrienden en vriendinnen om mij heen cocaïne gebruiken. Nou, dat was helemaal verkeerd. Lévensgevaarlijk! Ik schaam me nog wel eens over dingen die ik toen zei. Maar ja, ik spiegelde wat de maatschappelijke discussie -en dat is eigenlijk een culturele discussie- mij verschafte. Ik had geen boeken gelezen. Hoeveel Nederlanders hebben een boek over cocaïne gelezen? En dan zijn de meeste ook nog geschreven in diezelfde culturele, mythologische taal. Dus om er achter te komen dat de conceptuele atmosfeer waarin je leeft sprookjes zijn, daar heb je het een en ander voor nodig. Die kennis maakte ik me pas eigen in de jaren zeventig. Toen begon ik te begrijpen hoe die sociale werkelijkheden geconstrueerd worden.’

Cohen is op zijn stokpaardje beland: het drugsprobleem als culturele constructie. Hij gaat er eens goed voor zitten, schenkt nog een glas rode wijn in.

‘In een cultuur heerst als het ware een ragfijn spinneweb van voor waar aangenomen causale verbindingen. Mensen worden daarin opgevoed,  kunnen zich in dat spinrag bewegen, voelen zich daarin thuis. Probleem is dat als het spinrag om jou heen het begeeft, dan hang je in de lucht. Maar het maken van een eigen spinrag, zoals elke spin doet, dat is niet de manier waarop mensen in een cultuur overleven. Ze overleven in het spinneweb dat de cultuur voor hen spint. Veel wetenschappers doen hetzelfde, die repareren en werken aan het cultureel gegeven spinrag. Er zijn er maar weinig die het spinrag zelf ter discussie stellen: de culturele, conceptuele manieren van denken en causaliteiten toewijzen.’

Om dit abstracte idee te verduidelijken neemt hij de voodoo-cultuur als voorbeeld. ‘Als mensen ziek worden, zegt de voodoopriester: “Ja, ik herinner me nog hoe jij op je vader schold. Vanuit het hiernamaals stuurt hij nu kwade geesten op jou af, daardoor ben jij ziek.” En iedereen wist nog dat zij zo op haar vader schold, dus klopte het.’ De voodoopriester heeft ook een oplossing, iets als ‘een mengseltje van gebraden slak’. De zieke zal dat zeker opeten: ‘Als mensen écht het gevoel hebben dat hen een uitweg wordt geboden, al is die nog zo mythisch, dan gaan ze daarin mee.’

Want ze zoeken verlossing?
‘Verlossing is een heel goed woord. En dat is helemaal religieus. Verlossing uit problemen die volledig uit hersenspinsels bestaan. Hersenspinsels als probleem zijn even belangrijk als een echt probleem. Dus als je denkt dat je verslaafd bent… Niemand weet wat verslaafd is, je kunt het niet meten, er is geen arts die het kan diagnosticeren. Het komt alleen tot stand op basis van verhalen, net als bij voodoo. Het hele gedoe rondom verslaving is gewoon voodoo. Maar als je daarin gelooft, heb je echt een probleem. En dan heb je ook mensen nodig die jou daarbij helpen.’

Breek hem de bek niet open over de hulpverlening aan drugsgebruikers. Toen Cohen zich ging verdiepen in verslavingstherapieën, schrok hij zich een ongeluk. ‘Wat er niet in al die landen bedacht werd, de regimes waarin mensen gedwongen werden… Verschrikkelijk. Er waren toen nog van die drugsvrije gemeenschappen in Nederland, waar psychiaters beweerdem “de hele persoonlijkheid van hun patiënten opnieuw op te bouwen”. De posities die ze zichzelf gaven ten opzichte van die mensen, wat ze zich permitteerden… Terwijl het helemaal nérgens op gebaseerd was!’ Toch gaan de meeste drugsgebruikers mee in het denken van de hulpverleners. ‘Junkies, homoseksuelen, negers, joden, Roma, die opgevoed worden in een cultuur waarin zij de minderheid zijn en ook dragers van bepaalde beelden, zijn onderdeel van die cultuur. De spin is een onderdeel van het spinrag, dus een doorsnee junk ziet zichzelf door de ogen van die cultuur.’

Ongehuwde moeders
De wortels van Cohens denken liggen in zijn begintijd aan de universiteit, waar hij in 1971 gaat werken als organisatiesocioloog. Na een paar jaar zocht de nieuwe subfaculteit andragologie iemand die wilde onderzoeken waar het politiek bewustzijn van mensen vanaf hangt. Dat vond Cohen -‘ik ben mijn hele leven Marxist geweest’- een interessante vraag. ‘Vanuit de sterk historische traditie van het Marxisme ging ik me afvragen waar sociale problemen als werkeloosheid en fascisme vandaan komen. Hoe ontstaat dat nou?’ Met een groep studenten pakt hij een actueel probleem bij de kop: ongehuwde moeders. ‘Dat was in die tijd een enorm probleem. Er waren ook ongehuwde moeder-opvanghuizen, er was een hele industrie omheen in de vijftiger, zestiger jaren. Ongehuwde moeders, dat waren vrouwen met een hersenprobleem. Ze konden namelijk hun impulsen niet goed beheersen. Waarbij ik meteen dacht: de mannen die met die vrouwen neuken, die kunnen zeker wel hun impulsen beheersen?’

Na twee jaar studie over het probleem van ongehuwde moeders volgen werkeloosheid en homoseksualiteit. Daarmee was iets vreemds aan de hand. ‘Een probleem als homoseksualiteit ontstaat op een bepaald moment, maar het gaat ook weer weg. Er ontstaan culturen in de maatschappij waarin homoseksualiteit geen probleem meer is. Hoe kan dat? Waardoor lossen sociale problemen, die als heel ernstig worden gezien, op?’ Neem de ongehuwde moeders: ‘Het was nog niet zo lang geleden dat de feministen op straat waren gaan roepen: baas in eigen buik! Dat was iets onvoorstelbaars. Maar later werd het helemaal opgenomen in die nieuwe burgerlijke cultuur van het individualisme, dat je baas in eigen buik was. Vroeger niet, maar nu wel. Kortom: culturele veranderingen dragen bij aan het plotseling anders definiëren van menselijke verhoudingen, waarin verhoudingen of bindingen die vroeger taboe waren tot de normaliteit gaan behoren.’

Mythologie
Dat Cohen zich met de drugsproblematiek ging bezig houden, is te danken aan een van van zijn studenten. ‘Een zware speedgebruiker, heel interessante jongen. Hij wilde weten waar het drugsprobleem vandaan komt. Waarom zijn drugs nou een probleem? Zo had ik er nooit over gedacht. En ik ben echt verliefd geworden op dat probleem. Wat is de rol van het drugsprobleem voor het in stand houden van onze Westerse cultuur? Zo bleef ik hangen in die drugsproblematiek. Maar vanuit een perspectief dat het door mensen is gemaakt en vol zit met mythologieën.’ Dat die mythes zo hardnekkig zijn, heeft met heel veel te maken, onder andere met het verschil tussen stad en provincie, denkt hij. ‘De coffeeshop is een grootstedelijk verschijnsel. In de steden is ook ontdekt dat je mensen gewoon methadon mag geven en heroïne. In steden is het denken over drugs duidelijk anders dan erbuiten. Ik heb het hele omdenken binnen de GGD Amsterdam begeleid en meegemaakt. Als ik dat vergeleek met de discussies die ik moest hebben in andere plaatsjes: een wereld van verschil!’

De ‘drugsprofessor’ kan smakelijk vertellen over de vele gesprekken die hij met gezagsdragers over drugs heeft gevoerd. Bijvoorbeeld met de ambtenaren in het streng christelijke Kampen, waar na veel gepolder toch een coffeeshop kwam. ‘De moeite die ze ermee hadden! De cultuur waarin cannabis werd gebruikt was voor hen de duivelse, stadse, goddeloze cultuur. Dat was hun oprechte, eerlijke opvatting.’ Een typische CDA-opvatting en dat is geen toeval: ‘Het christendemocratische in Nederland is kleinsteeds en plattelands. Daar wordt de grote stad, dat is overal ter wereld zo, gezien als het morele verval. En drugs worden daaraan gekoppeld. Vroeger deden de socialisten dat ook met alcohol.’

Rond 1983 voerde Cohen een lobbycampagne voor een experiment met heroïneverstrekking in Amsterdam. Na uitgebreid onderzoek had hij geconcludeerd dat heroïne ‘eigenlijk een volkomen non-toxische, heel ongevaarlijke stof is, die overal in enorme hoeveelheden wordt gebruikt, hartstikke zuiver en in de juiste doseringen’. Daarom moest er een GGD-systeem komen om aan alle gebruikers in de stad gereguleerd heroïne te verstrekken. ‘Daar heb ik toen een grote eer ingesteld, om iedereen in de stad daarvan te overtuigen. En dat is ook gelukt.’ Zelfs de tweemansfractie van het CDA stemde voor. ‘Ik had veel respect voor die mensen. Ze dachten over dingen na, sloten zich niet af. Dus ik zei: kom maar op met je bezwaren, we gaan in een café zitten tot jullie het gevoel hebben dat ik jullie goed geantwoord heb.’

Pyrrusoverwinning
Met de andere fracties ging hij net zo te werk. ‘De PvdA heeft er zelfs een conferentie aan gewijd, ergens in Overijssel. Dan gingen ze drie dagen met mij praten. Hartstikke leuk.’ De discussie beperkte zich tot de bezwaren van de PvdA-ers. ‘En daar waren er een hoop van. Maar omdat ze er niks van wisten en zich alleen maar baseerden op mythologie, was het voor mij een fluitje van een cent. Ed van Thijn was al meteen overtuigd.’ Het plan werd met algemene stemmen aangenomen, maar het bleek een Pyrrusoverwinning overwinning: ‘De pleuris brak los in Den Haag, want daar zat een CDA-regering onder Lubbers. Wat er toen gebeurde, daar kon Van Thijn niet tegenop, daar kon niemand tegenop. Er werd een lawine aan waanzin gecreëerd. Een tsunami, zou je nu zeggen. Ik stond versteld.’ Het plan werd getorpedeerd; Zwitserland had een paar jaar later de primeur. ‘Al die Zwitsers zijn hier in Amsterdam bij ons komen vragen hoe ze het moesten doen.’

Pas in 1995, onder het eerste Paarse kabinet kwam er toestemming voor heroïneverstrekking in Nederland. Tegelijk liet Paars de kans liggen iets voor de coffeeshops te regelen; het cannabisbeleid werd alleen maar strenger. Was dat soms een uitruil: wél heroïneverstrekking, maar de coffeeshops hebben pech gehad? Cohen knikt: ‘Ik denk het wel.’ Hoezeer het klimaat rond cannabis in 1995 was veranderd, ondervond hij in die tijd aan den lijve. Hij had de minister van VWS om een Opiumverlof gevraagd voor een groot chemisch bedrijf, om de cannabis van tien Amsterdamse coffeeshops een jaar lang op kwaliteit te onderzoeken. ‘Het lab wilde het voor ramsjprijzen doen, ze zagen er wel een markt in. Het waren commerciële, gisse jongens. Maar dat bedrijf wilde het niet op een gedoogmanier doen, ze wilden een officiële vergunning van de minister. Het ging maar om kleine hoeveelheden, halve grammetjes hadden ze nodig. Nou, tien keer een halve gram, dat is vijf gram. Maar de minister vond het niet goed dat er zich cannabis bevond in het laboratorium.’

Hij kan even niet op de naam komen van de toenmalige VWS minister, ‘die eikel’. Oh ja, Hoogervorst, de VVD-er. ‘Hoogervorst schreef mij een brief: meneer Cohen, we hebben besloten dat het in strijd is met de volksgezondheid om de cannabis in Nederland te laten testen. En dan kwam er een of andere redenering, waarvan ik dacht: als dit in een ministeriële brief kan staan, waait de wind helemaal uit de foute richting. Hieraan ga ik mijn tijd niet meer verspillen.’ Want als de wind verkeerd staat kun je lullen als brugman: het zal niet helpen. ‘Je moet niet tegen de wind in proberen te pissen. Daarom ben ik ook niet meer actief in het drugsbeleidwereldje; ik zie niet dat de politieke wind waait uit een richting waar je wat mee kan.’ Cohen was jarenlang een fervent zeiler, hij weet van de wind. ‘Ik was een eenzame zeiler. Ik had een groot, prachtig schip, bleef soms weken alleen weg. Ik ben wel eens bijna in Amerika aangekomen, hoewel ik vanuit Portugal naar Engeland wilde. Omdat de wind verkeerd woei. Dan maar naar Amerika. Je moet de wind zo gebruiken dat je er niet door verslagen wordt. Als je op een zeilboot moet overleven leer je dat je wel tegen de golven en de wind in kan varen, maar dat je je daarbij blootstelt aan enorme overlevingsproblemen. En dat je dat misschien niet volhoudt.’

Strafrecht
Het gesprek waaiert uit naar de begindagen van het gedoogbeleid, de tijd van Louk Hulsman en Herman Cohen, die het eerste grote onderzoek naar cannabis uitvoerde. ‘Herman kreeg geld van het ministerie om uit te zoeken: wat gebeurt er nou met die mensen die hasjiesj gaan roken? Hij ging iedereen interviewen en concludeerde: ja, na een tijdje hebben ze er genoeg van en gaan ze weer wat anders doen. Dat vond ik later bij cocaïne en amfetaminen ook, dat vind je overal. Dat aspect bracht Herman heel sterk naar voren, in een klimaat dat zocht naar goede redenen om het strafrecht er niet op los te laten. Toen viel het kwartje in dat speciale gleufje van die tijd: als je mensen niet criminaliseert, gaat het goed met ze. Criminaliseer je ze wel, dan stop je ze in de gevangenis, hebben ze een strafblad, dan maak je ellende. Nou, dat ging er in als koek.’

Het maatschappelijke klimaat waarin decriminalisering van drugs mogelijk werd eindigde volgens Cohen toen de eerste problemen rond integratie van allochtonen ontstonden. ‘Toen kwam je politiek niet meer uit met zeggen: nee, we moeten het strafrecht er helemaal niet bij halen. Dat is nog wel lang geprobeerd, met rampzalige gevolgen. Er is ontzettend veel stuk gegaan door het niet willen kijken naar de integratieproblemen. In de PvdA kon je er niet over praten, want het was meteen racisme. Het is net als met joden: kritiek op Israël is meteen antisemitisme. Volkomen onzin, maar zo zien ze het en zo houden ze het ook buiten de deur. Dat heeft geleid tot een politiek klimaat waarin de justitiële druk op allerlei terreinen werd verhoogd, ook daar waar het niks op zou leveren. Maar dan kon je de bevolking laten zien: we doen wat voor jullie. Dat geldt ook voor cannabis: zolang de bevolking gelooft dat ze beschermd worden tegen iets, ook al is het nog zo onzinnig, dan werkt het.’

De ontwikkelingen in Amerika zie jij niet als een begin van verandering?
‘Nee. Kijk eens hoe sterk de invloed van het CDA is in Nederland, een van de meest gedeconfessionaliseerde landen ter wereld. Dat is in Amerika ook zo: het platteland heeft relatief nog steeds meer te zeggen dan de grote stedelijke centra. Er zijn wel vooruitstrevende christenen, maar met drugs is die omslag er niet.’

Wim van de Camp, jarenlang CDA-drugswoordvoerder, noemde drugs ooit ‘rivalen van God’…
‘Dat is een hele oude theorie, die is niet van hem. Maar wat bedoelt zo’n man als hij het over drugs heeft? Ik denk: gekidnapt worden door de duivel. Dat hebben veel mensen in onze cultuur: er zijn slechte krachten, die komen van buiten, maken zich meester van jouw ziel en zorgen er voor dat jij een slecht mens wordt. Dat is de beeldtaal die over drugs heerst. Dat was vroeger zo met seksualiteit. Die moest je onderdrukken, want de seksualiteit maakte beesten van de mensen.’

Denk jij volledige decriminalisering van cannabis nog mee te maken?
‘Nee. De integratie van die mythologie in onze individualistische cultuur is nog te groot. Onze cultuur is gebouwd op een droom van individuele autonomie. In een van mijn laatste stukken, over het verslavingsbegrip, zeg ik: iedereen is altijd verslaafd. Want mensen kunnen niet zonder bindingen.’

Je noemt het voorbeeld van een man die elke vakantie gaat bergbeklimmen, ook al vriezen zijn tenen eraf en smeekt zijn vrouw hem niet te gaan…
‘Ja, of iemand die alleen maar viool speelt of zijn hele leven organiseert rondom voetbal. Dat vinden we prima.’

En het wordt nooit met verslaving in verband gebracht…
‘Nee, verslaving wordt niet gezien als een gewone binding die mensen hebben met gewone dingen. Het is de duivel, bindingen met de duivel. En die moeten we verbieden. Het is dus héél Middeleeuws, heel primitief.’

Bij bindingen die mensen met stoffen hebben, gaat het om veel meer dan die stof alleen. Roken is een goed voorbeeld. ‘Roken is ongelofelijk ingewikkeld gedrag, dat uit heel veel onderdelen bestaat. Pas als al die allemaal bij elkaar zitten en doorlopen zijn, is het compleet. Ik heb zelf gerookt, ik wist hoe het in elkaar zat. En ik gebruik nog steeds drugs. Ik weet precies in welke omstandigheden, innerlijk en uiterlijk, ik bepaalde drugs wil hebben. Dat zijn rituelen die je hebt geleerd, die zijn prettig en die je wil volvoeren. Allemaal onderdelen van menselijke afhankelijkheid.’ Door alleen te focussen op de ‘verslavendheid’ van een stof, sla je de plank mis. Daarom vindt hij de meeste indelingen of ‘rankings’ van drugs op basis van verslavingsrisico’s flauwekul. Hij vertelt hoe hij ooit aan een junkie vroeg of hij wel eens op vakantie ging. Ja hoor, lekker naar Spanje. Vroeger nam hij methadon mee, maar nu niet meer: al dat gelazer met papieren. Tegenwoordig kickte hij razendsnel af, ‘effe doorzetten’, bleef clean op vakantie en gebruikte daarna vrolijk verder. Conclusie: ‘Dat idee van opiatenafhankelijkheid is een context-gebonden constructie die die mensen zelf ook voeden. Want de enige paraplu waaronder ze nog sociaal kans maken is die van ziekte en de vreselijkheid van die drug.’

Ze hebben er baat bij om als slachtoffer te worden gezien?
‘Juist. En om dat beeld nog eens op te kloppen. De industriëlen in die wereld hebben daar ook baat bij, ze hebben grote gemeenschappelijke belangen. Deze kerel vertelde me iets dat hij eigenlijk niet van plan was te vertellen: met uitzicht op een mooie vakantie, dan ging hij er wel effe doorheen, door dat afkicken. Dat hele gevoel van afhankelijkheid van opiaten is dus onderdeel van de industrie. Opiaten worden altijd gezien als de drugs die de grootste afhankelijkheid veroorzaken, daarom staan ze nummer 1. Het draait allemaal om die mythe van onafhankelijkheid. Dus er is ook een mythe van de grootste áfhankelijkheid.’

Wat vind je van de recente RIVM-ranking, waarin alcohol en tabak op plaats drie en vier staan?
‘Kletskoek. Hoeveel mensen zijn er nou afhankelijk van alcohol? Ik ken ze niet. Ja, je hebt mensen die op straat leven, clochards heb je altijd gehad. Wat moeten zij anders doen dan drinken?’

Kun je überhaupt wel zo’n ranking opstellen?
‘Jawel, maar dan zou ik schadelijkheid definiëren als: welke kleine fouten kunnen al tot vervelende gevolgen leiden?’

De toxiciteit?
‘Nee, want opiaten zijn vrijwel niet toxisch en cannabis ook niet. Maar als je maar héél kleine hoeveelheden nodig hebt om er wat van te voelen. En als ervaren gebruiker wat meer. Ik ken een ervaren amfetaminegebruiker: vroeger gebruikte hij misschien 5 milligram en nu 25 voor hetzelfde effect. Maar het zijn nog steeds heel kleine hoeveelheden. En hij heeft een zeer gevoelige weegschaal, die op de milligram precies weegt. Maar als je zo’n apparaat niet hebt en je kan het niet bij Albert Heijn kopen, in pilletjes van 5 milligram… In Amerika kun je 5 milligram dextro-amfetamine kopen. Dan weet je precies hoeveel je neemt, maak je nooit fouten. Maar zelfs als deze stoffen legaal zijn, kun je in een verdwaasde bui teveel nemen en ga je dood.’

Maar heroïne zou dus niet hoog scoren in jouw ranking?
‘Heroïne scoort helemaal niet hoog. Tenzij je een ongeoefende gebruiker bent en teveel neemt. Maar je zou mensen best kunnen leren: als je heroïne lekker vindt, gebruik dan niet meer dan zóveel als je er net mee begint, want dan ga je dood.’ Hij erkent dat het nog wel even zal duren voordat een dergelijk Postbus 51-spotje op tv verschijnt. ‘Drugs zijn nog steeds een symptoom van een specifiek paternalisme en dat staat voor veel meer: voor een levensbeschouwing en een manier van definiëren wat goed leven is. En voor een manier van je autoriteit toe-eigenen om dat ook op te leggen: wij willen dat mensen zó leven.’ Voor de langere termijn is Cohen overigens wél optimistisch. Hij wijst op de gigantische weerstand die er vroeger tegen abortus was. ‘Op een gegeven moment wordt het toch anders. Ook decriminalisering van drugs zal zeker komen. Je moet er alleen nu niet je zeilen op scheuren.’

Wat hem misschien nog wel het meest vermoeit, is dat ook progressieve mensen zoveel onzin vertellen over drugs. Zelfs de activisten. ‘Dat is het grootste probleem van bijna alle drugsbeleidhervormers die ik ken: ze praten de grootst mogelijke nonsens over drugs. Ze geloven óók in verslaving en geneesmiddelen en dokters die verslaafden helpen. Je moet verslaafden niet in de gevangenis stoppen, je moet ze behandelen! Ik word er gek van, ik kan er niet meer tegen! En al die onzin over nicotine en tabak… Dan zeggen mijn collega drugshervormers: tabak is veel gevaarlijker! Oh ja? Hoe weet je dat nou? Dat weten ze niet. Dezelfde overheden die roepen dat cocaïne zo gevaarlijk is, roepen ook dat tabak zo gevaarlijk is. Van cocaïne geloven ze het al niet zo erg, maar van tabak wel.’

Hoe zit dat dan? Daar worden teveel doden aan toegeschreven?
‘Ja. Er zijn heel veel rechtszaken geweest -en ik heb gewerkt voor advocaten in die zaken- van mensen wiens familielid was doodgegaan aan longkanker. En dat zou gekomen zijn door roken. Het is nog nooit in één geval bewezen dat dat ook zo was. Er zijn wel vormen van kanker die je aan stoffen toe kunt schrijven, omdat die kankerspecifiek zijn. Kanker die door asbest ontstaat, ontstaat alléén door asbest. Met longkanker is dat niet zo. Ik woon nu in een modern huis, de lucht die in mijn huis wordt geblazen, gaat door filters heen. Nou jongen, je houd niet voor mogelijk hoe vaak ik die moet schoonmaken en wat voor zwarte troep eruit komt. Gewoon van de luchtkwaliteit. Maar gaan mensen nou dood van roken? Ik heb er nooit wat van geloofd.’

Waarom ben je dan zelf gestopt?
‘Ik ben gestopt toen ik ouder werd en wilde blijven duiken. Ik merkte dat mijn conditie minder was als ik rookte. Dus ik hield altijd al op als ik in Griekenland was. Tot ik dacht: waarom stop ik niet helemaal, ik gebruik al zoveel troep. Maar goed, dat tabaksgedoe, dat doe ik ook allemaal niet meer. Wat ik heb geleerd is om al die verhalen over gevaar van stoffen, verslavendheid van stoffen…’

…te wantrouwen?
‘Niet te wantrouwen, om gewoon te denken: onzin. Dat is altijd mijn eerste gedachte: het is onzin. Laat maar eens zien, in goed onderzoek, dat het zo is. En het is nooit zo.’

(met dank aan uitgeverij EssensiE, Haarlem)

Peter Cohen is even in Nederland: het grootste deel van het jaar woont hij in Frankrijk. Zijn jeugd bracht hij door in Alphen aan de Rijn, in een ‘kleinburgerlijk milieu’. Hij doorliep de middelbare school in Amsterdam, een van zijn klasgenoten is de latere psychiater Freek Polak, nog steeds een goede vriend. ‘Die tijd heeft er voor gezorgd dat ik openstond voor van alles, ik wilde best allerlei nieuwe dingen leren, horen en meemaken’. Cannabis bijvoorbeeld, dat hij rond 1959 leert roken als figurant bij de Nederlandse Comedie. ‘Ik vond dat leuk, ik vond die marihuana lekker. Het was trouwens geen marihuana, wij rookten hasjiesj. Toen ging ik het ook wel zelf kopen, ik had al gauw genoeg contacten.’

-Voordat je je rond 1980 ging verdiepen in drugs was je alleen recreatief betrokken bij het onderwerp?
‘Ja, helemaal. En je kon ook alle standaard ideeën over drugs bij mij terugvinden.’

-Ondanks het feit dat je blowde?
‘Ja. Blowen, dat was goed, maar heroïne, cocaïne, speed, dat was allemaal des duivels. Ik herinner me nog, toen mijn dochter begin jaren zeventig werd geboren, gingen vrienden en vriendinnen om mij heen cocaïne gebruiken. Nou, dat was helemaal verkeerd. Lévensgevaarlijk! Ik schaam me nog wel eens over dingen die ik toen zei. Maar ja, ik spiegelde wat de maatschappelijke discussie -en dat is eigenlijk een culturele discussie- mij verschafte. Ik had geen boeken gelezen. Hoeveel Nederlanders hebben een boek over cocaïne gelezen? En dan zijn de meeste ook nog geschreven in diezelfde culturele, mythologische taal. Dus om er achter te komen dat de conceptuele atmosfeer waarin je leeft sprookjes zijn, daar heb je het een en ander voor nodig. Die kennis maakte ik me pas eigen in de jaren zeventig. Toen begon ik te begrijpen hoe die sociale werkelijkheden geconstrueerd worden.’

Cohen is op zijn stokpaardje beland: het drugsprobleem als culturele constructie. Hij gaat er eens goed voor zitten, schenkt nog een glas rode wijn in. ‘In een cultuur heerst als het ware een ragfijn spinneweb van voor waar aangenomen causale verbindingen. Mensen worden daarin opgevoed,  kunnen zich in dat spinrag bewegen, voelen zich daarin thuis. Probleem is dat als het spinrag om jou heen het begeeft, dan hang je in de lucht. Maar het maken van een eigen spinrag, zoals elke spin doet, dat is niet de manier waarop mensen in een cultuur overleven. Ze overleven in het spinneweb dat de cultuur voor hen spint. Veel wetenschappers doen hetzelfde, die repareren en werken aan het cultureel gegeven spinrag. Er zijn er maar weinig die het spinrag zelf ter discussie stellen: de culturele, conceptuele manieren van denken en causaliteiten toewijzen.’

Om dit abstracte idee te verduidelijken neemt hij de voodoo-cultuur als voorbeeld. ‘Als mensen ziek worden, zegt de voodoopriester: “Ja, ik herinner me nog hoe jij op je vader schold. Vanuit het hiernamaals stuurt hij nu kwade geesten op jou af, daardoor ben jij ziek.” En iedereen wist nog dat zij zo op haar vader schold, dus klopte het.’ De voodoopriester heeft ook een oplossing, iets als ‘een mengseltje van gebraden slak’. De zieke zal dat zeker opeten: ‘Als mensen écht het gevoel hebben dat hen een uitweg wordt geboden, al is die nog zo mythisch, dan gaan ze daarin mee.’

-Want ze zoeken verlossing?
‘Verlossing is een heel goed woord. En dat is helemaal religieus. Verlossing uit problemen die volledig uit hersenspinsels bestaan. Hersenspinsels als probleem zijn even belangrijk als een echt probleem. Dus als je denkt dat je verslaafd bent… Niemand weet wat verslaafd is, je kunt het niet meten, er is geen arts die het kan diagnosticeren. Het komt alleen tot stand op basis van verhalen, net als bij voodoo. Het hele gedoe rondom verslaving is gewoon voodoo. Maar als je daarin gelooft, heb je echt een probleem. En dan heb je ook mensen nodig die jou daarbij helpen.’

Breek hem de bek niet open over de hulpverlening aan drugsgebruikers. Toen Cohen zich ging verdiepen in verslavingstherapieën, schrok hij zich een ongeluk. ‘Wat er niet in al die landen bedacht werd, de regimes waarin mensen gedwongen werden… Verschrikkelijk. Er waren toen nog van die drugsvrije gemeenschappen in Nederland, waar psychiaters beweerdem “de hele persoonlijkheid van hun patiënten opnieuw op te bouwen”. De posities die ze zichzelf gaven ten opzichte van die mensen, wat ze zich permitteerden… Terwijl het helemaal nérgens op gebaseerd was!’ Toch gaan de meeste drugsgebruikers mee in het denken van de hulpverleners. ‘Junkies, homoseksuelen, negers, joden, Roma, die opgevoed worden in een cultuur waarin zij de minderheid zijn en ook dragers van bepaalde beelden, zijn onderdeel van die cultuur. De spin is een onderdeel van het spinrag, dus een doorsnee junk ziet zichzelf door de ogen van die cultuur.’

De wortels van Cohens denken liggen in zijn begintijd aan de universiteit, waar hij in 1971 gaat werken als organisatiesocioloog. Na een paar jaar zocht de nieuwe subfaculteit andragologie iemand die wilde onderzoeken waar het politiek bewustzijn van mensen vanaf hangt. Dat vond Cohen -‘ik ben mijn hele leven Marxist geweest’- een interessante vraag. ‘Vanuit de sterk historische traditie van het Marxisme ging ik me afvragen waar sociale problemen als werkeloosheid en fascisme vandaan komen. Hoe ontstaat dat nou?’ Met een groep studenten pakt hij een actueel probleem bij de kop: ongehuwde moeders. ‘Dat was in die tijd een enorm probleem. Er waren ook ongehuwde moeder-opvanghuizen, er was een hele industrie omheen in de vijftiger, zestiger jaren. Ongehuwde moeders, dat waren vrouwen met een hersenprobleem. Ze konden namelijk hun impulsen niet goed beheersen. Waarbij ik meteen dacht: de mannen die met die vrouwen neuken, die kunnen zeker wel hun impulsen beheersen?’

Na twee jaar studie over het probleem van ongehuwde moeders volgen werkeloosheid en homoseksualiteit. Daarmee was iets vreemds aan de hand. ‘Een probleem als homoseksualiteit ontstaat op een bepaald moment, maar het gaat ook weer weg. Er ontstaan culturen in de maatschappij waarin homoseksualiteit geen probleem meer is. Hoe kan dat? Waardoor lossen sociale problemen, die als heel ernstig worden gezien, op?’ Neem de ongehuwde moeders: ‘Het was nog niet zo lang geleden dat de feministen op straat waren gaan roepen: baas in eigen buik! Dat was iets onvoorstelbaars. Maar later werd het helemaal opgenomen in die nieuwe burgerlijke cultuur van het individualisme, dat je baas in eigen buik was. Vroeger niet, maar nu wel. Kortom: culturele veranderingen dragen bij aan het plotseling anders definiëren van menselijke verhoudingen, waarin verhoudingen of bindingen die vroeger taboe waren tot de normaliteit gaan behoren.’

Dat Cohen zich met de drugsproblematiek ging bezig houden, is te danken aan een van van zijn studenten. ‘Een zware speedgebruiker, heel interessante jongen. Hij wilde weten waar het drugsprobleem vandaan komt. Waarom zijn drugs nou een probleem? Zo had ik er nooit over gedacht. En ik ben echt verliefd geworden op dat probleem. Wat is de rol van het drugsprobleem voor het instandhouden van onze Westerse cultuur? Zo bleef ik hangen in die drugsproblematiek. Maar vanuit een perspectief dat het door mensen is gemaakt en vol zit met mythologieën.’ Dat die mythes zo hardnekkig zijn, heeft met heel veel te maken, onder andere met het verschil tussen stad en provincie, denkt hij. ‘De coffeeshop is een grootstedelijk verschijnsel. In de steden is ook ontdekt dat je mensen gewoon methadon mag geven en heroïne. In steden is het denken over drugs duidelijk anders dan erbuiten. Ik heb het hele omdenken binnen de GGD Amsterdam begeleid en meegemaakt. Als ik dat vergeleek met de discussies die ik moest hebben in andere plaatsjes: een wereld van verschil!’

De ‘drugsprofessor’ kan smakelijk vertellen over de vele gesprekken die hij met gezagsdragers over drugs heeft gevoerd. Bijvoorbeeld met de ambtenaren in het streng christelijke Kampen, waar na veel gepolder toch een coffeeshop kwam. ‘De moeite die ze ermee hadden! De cultuur waarin cannabis werd gebruikt was voor hen de duivelse, stadse, goddeloze cultuur. Dat was hun oprechte, eerlijke opvatting.’ Een typische CDA-opvatting en dat is geen toeval: ‘Het christendemocratische in Nederland is kleinsteeds en plattelands. Daar wordt de grote stad, dat is overal ter wereld zo, gezien als het morele verval. En drugs worden daaraan gekoppeld. Vroeger deden de socialisten dat ook met alcohol.’

Rond 1983 voerde Cohen een lobbycampagne voor een experiment met heroïneverstrekking in Amsterdam. Na uitgebreid onderzoek had hij geconcludeerd dat heroïne ‘eigenlijk een volkomen non-toxische, heel ongevaarlijke stof is, die overal in enorme hoeveelheden wordt gebruikt, hartstikke zuiver en in de juiste doseringen’. Daarom moest er een GGD-systeem komen om aan alle gebruikers in de stad gereguleerd heroïne te verstrekken. ‘Daar heb ik toen een grote eer ingesteld, om iedereen in de stad daarvan te overtuigen. En dat is ook gelukt.’ Zelfs de tweemansfractie van het CDA stemde voor. ‘Ik had veel respect voor die mensen. Ze dachten over dingen na, sloten zich niet af. Dus ik zei: kom maar op met je bezwaren, we gaan in een café zitten tot jullie het gevoel hebben dat ik jullie goed geantwoord heb.’

Met de andere fracties ging hij net zo te werk. ‘De PvdA heeft er zelfs een conferentie aan gewijd, ergens in Overijssel. Dan gingen ze drie dagen met mij praten. Hartstikke leuk.’ De discussie beperkte zich tot de bezwaren van de PvdA-ers. ‘En daar waren er een hoop van. Maar omdat ze er niks van wisten en zich alleen maar baseerden op mythologie, was het voor mij een fluitje van een cent. Ed van Thijn was al meteen overtuigd.’ Het plan werd met algemene stemmen aangenomen, maar het bleek een Pyrrusoverwinning overwinning: ‘De pleuris brak los in Den Haag, want daar zat een CDA-regering onder Lubbers. Wat er toen gebeurde, daar kon Van Thijn niet tegenop, daar kon niemand tegenop. Er werd een lawine aan waanzin gecreëerd. Een tsunami, zou je nu zeggen. Ik stond versteld.’ Het plan werd getorpedeerd; Zwitserland had een paar jaar later de primeur. ‘Al die Zwitsers zijn hier in Amsterdam bij ons komen vragen hoe ze het moesten doen.’

Pas in 1995, onder het eerste Paarse kabinet kwam er toestemming voor heroïneverstrekking in Nederland. Tegelijk liet Paars de kans liggen iets voor de coffeeshops te regelen; het cannabisbeleid werd alleen maar strenger. Was dat soms een uitruil: wél heroïneverstrekking, maar de coffeeshops hebben pech gehad? Cohen knikt: ‘Ik denk het wel.’ Hoezeer het klimaat rond cannabis in 1995 was veranderd, ondervond hij in die tijd aan den lijve. Hij had de minister van VWS om een Opiumverlof gevraagd voor een groot chemisch bedrijf, om de cannabis van tien Amsterdamse coffeeshops een jaar lang op kwaliteit te onderzoeken. ‘Het lab wilde het voor ramsjprijzen doen, ze zagen er wel een markt in. Het waren commerciële, gisse jongens. Maar dat bedrijf wilde het niet op een gedoogmanier doen, ze wilden een officiële vergunning van de minister. Het ging maar om kleine hoeveelheden, halve grammetjes hadden ze nodig. Nou, tien keer een halve gram, dat is vijf gram. Maar de minister vond het niet goed dat er zich cannabis bevond in het laboratorium.’

Hij kan even niet op de naam komen van de toenmalige VWS minister, ‘die eikel’. Oh ja, Hoogervorst, de VVD-er. ‘Hoogervorst schreef mij een brief: meneer Cohen, we hebben besloten dat het in strijd is met de volksgezondheid om de cannabis in Nederland te laten testen. En dan kwam er een of andere redenering, waarvan ik dacht: als dit in een ministeriële brief kan staan, waait de wind helemaal uit de foute richting. Hieraan ga ik mijn tijd niet meer verspillen.’ Want als de wind verkeerd staat kun je lullen als brugman: het zal niet helpen. ‘Je moet niet tegen de wind in proberen te pissen. Daarom ben ik ook niet meer actief in het drugsbeleidwereldje; ik zie niet dat de politieke wind waait uit een richting waar je wat mee kan.’ Cohen was jarenlang een fervent zeiler, hij weet van de wind. ‘Ik was een eenzame zeiler. Ik had een groot, prachtig schip, bleef soms weken alleen weg. Ik ben wel eens bijna in Amerika aangekomen, hoewel ik vanuit Portugal naar Engeland wilde. Omdat de wind verkeerd woei. Dan maar naar Amerika. Je moet de wind zo gebruiken dat je er niet door verslagen wordt. Als je op een zeilboot moet overleven leer je dat je wel tegen de golven en de wind in kan varen, maar dat je je daarbij blootstelt aan enorme overlevingsproblemen. En dat je dat misschien niet volhoudt.’

Het gesprek waaiert uit naar de begindagen van het gedoogbeleid, de tijd van Louk Hulsman en Herman Cohen, die het eerste grote onderzoek naar cannabis uitvoerde. ‘Herman kreeg geld van het ministerie om uit te zoeken: wat gebeurt er nou met die mensen die hasjiesj gaan roken? Hij ging iedereen interviewen en concludeerde: ja, na een tijdje hebben ze er genoeg van en gaan ze weer wat anders doen. Dat vond ik later bij cocaïne en amfetaminen ook, dat vind je overal. Dat aspect bracht Herman heel sterk naar voren, in een klimaat dat zocht naar goede redenen om het strafrecht er niet op los te laten. Toen viel het kwartje in dat speciale gleufje van die tijd: als je mensen niet criminaliseert, gaat het goed met ze. Criminaliseer je ze wel, dan stop je ze in de gevangenis, hebben ze een strafblad, dan maak je ellende. Nou, dat ging er in als koek.’

Het maatschappelijke klimaat waarin decriminalisering van drugs mogelijk werd eindigde volgens Cohen toen de eerste problemen rond integratie van allochtonen ontstonden. ‘Toen kwam je politiek niet meer uit met zeggen: nee, we moeten het strafrecht er helemaal niet bij halen. Dat is nog wel lang geprobeerd, met rampzalige gevolgen. Er is ontzettend veel stuk gegaan door het niet willen kijken naar de integratieproblemen. In de PvdA kon je er niet over praten, want het was meteen racisme. Het is net als met joden: kritiek op Israël is meteen antisemitisme. Volkomen onzin, maar zo zien ze het en zo houden ze het ook buiten de deur. Dat heeft geleid tot een politiek klimaat waarin de justitiële druk op allerlei terreinen werd verhoogd, ook daar waar het niks op zou leveren. Maar dan kon je de bevolking laten zien: we doen wat voor jullie. Dat geldt ook voor cannabis: zolang de bevolking gelooft dat ze beschermd worden tegen iets, ook al is het nog zo onzinnig, dan werkt het.’

-De ontwikkelingen in Amerika zie jij niet als een begin van verandering?
‘Nee. Kijk eens hoe sterk de invloed van het CDA is in Nederland, een van de meest gedeconfessionaliseerde landen ter wereld. Dat is in Amerika ook zo: het platteland heeft relatief nog steeds meer te zeggen dan de grote stedelijke centra. Er zijn wel vooruitstrevende christenen, maar met drugs is die omslag er niet.’

-Wim van de Camp, jarenlang CDA-drugswoordvoerder, noemde drugs ooit ‘rivalen van God’…
‘Dat is een hele oude theorie, die is niet van hem. Maar wat bedoelt zo’n man als hij het over drugs heeft? Ik denk: gekidnapt worden door de duivel. Dat hebben veel mensen in onze cultuur: er zijn slechte krachten, die komen van buiten, maken zich meester van jouw ziel en zorgen er voor dat jij een slecht mens wordt. Dat is de beeldtaal die over drugs heerst. Dat was vroeger zo met seksualiteit. Die moest je onderdrukken, want de seksualiteit maakte beesten van de mensen.’

-Denk jij volledige decriminalisering van cannabis nog mee te maken?
‘Nee. De integratie van die mythologie in onze individualistische cultuur is nog te groot. Onze cultuur is gebouwd op een droom van individuele autonomie. In een van mijn laatste stukken, over het verslavingsbegrip, zeg ik: iedereen is altijd verslaafd. Want mensen kunnen niet zonder bindingen.’

-Je noemt het voorbeeld van een man die elke vakantie gaat bergbeklimmen, ook al vriezen zijn tenen eraf en smeekt zijn vrouw hem niet te gaan…
‘Ja, of iemand die alleen maar viool speelt of zijn hele leven organiseert rondom voetbal. Dat vinden we prima.’

-En het wordt nooit met verslaving in verband gebracht…
‘Nee, verslaving wordt niet gezien als een gewone binding die mensen hebben met gewone dingen. Het is de duivel, bindingen met de duivel. En die moeten we verbieden. Het is dus héél Middeleeuws, heel primitief.’

Bij bindingen die mensen met stoffen hebben, gaat het om veel meer dan die stof alleen. Roken is een goed voorbeeld. ‘Roken is ongelofelijk ingewikkeld gedrag, dat uit heel veel onderdelen bestaat. Pas als al die allemaal bij elkaar zitten en doorlopen zijn, is het compleet. Ik heb zelf gerookt, ik wist hoe het in elkaar zat. En ik gebruik nog steeds drugs. Ik weet precies in welke omstandigheden, innerlijk en uiterlijk, ik bepaalde drugs wil hebben. Dat zijn rituelen die je hebt geleerd, die zijn prettig en die je wil volvoeren. Allemaal onderdelen van menselijke afhankelijkheid.’ Door alleen te focussen op de ‘verslavendheid’ van een stof, sla je de plank mis. Daarom vindt hij de meeste indelingen of ‘rankings’ van drugs op basis van verslavingsrisico’s flauwekul. Hij vertelt hoe hij ooit aan een junkie vroeg of hij wel eens op vakantie ging. Ja hoor, lekker naar Spanje. Vroeger nam hij methadon mee, maar nu niet meer: al dat gelazer met papieren. Tegenwoordig kickte hij razendsnel af, ‘effe doorzetten’, bleef clean op vakantie en gebruikte daarna vrolijk verder. Conclusie: ‘Dat idee van opiatenafhankelijkheid is een context-gebonden constructie die die mensen zelf ook voeden. Want de enige paraplu waaronder ze nog sociaal kans maken is die van ziekte en de vreselijkheid van die drug.’

-Ze hebben er baat bij om als slachtoffer te worden gezien?
‘Juist. En om dat beeld nog eens op te kloppen. De industriëlen in die wereld hebben daar ook baat bij, ze hebben grote gemeenschappelijke belangen. Deze kerel vertelde me iets dat hij eigenlijk niet van plan was te vertellen: met uitzicht op een mooie vakantie, dan ging hij er wel effe doorheen, door dat afkicken. Dat hele gevoel van afhankelijkheid van opiaten is dus onderdeel van de industrie. Opiaten worden altijd gezien als de drugs die de grootste afhankelijkheid veroorzaken, daarom staan ze nummer 1. Het draait allemaal om die mythe van onafhankelijkheid. Dus er is ook een mythe van de grootste áfhankelijkheid.’

-Wat vind je van de recente RIVM-ranking, waarin alcohol en tabak op plaats drie en vier staan?
‘Kletskoek. Hoeveel mensen zijn er nou afhankelijk van alcohol? Ik ken ze niet. Ja, je hebt mensen die op straat leven, clochards heb je altijd gehad. Wat moeten zij anders doen dan drinken?’

-Kun je überhaupt wel zo’n ranking opstellen?
‘Jawel, maar dan zou ik schadelijkheid definiëren als: welke kleine fouten kunnen al tot vervelende gevolgen leiden?’

-De toxiciteit?
‘Nee, want opiaten zijn vrijwel niet toxisch en cannabis ook niet. Maar als je maar héél kleine hoeveelheden nodig hebt om er wat van te voelen. En als ervaren gebruiker wat meer. Ik ken een ervaren amfetaminegebruiker: vroeger gebruikte hij misschien 5 milligram en nu 25 voor hetzelfde effect. Maar het zijn nog steeds heel kleine hoeveelheden. En hij heeft een zeer gevoelige weegschaal, die op de milligram precies weegt. Maar als je zo’n apparaat niet hebt en je kan het niet bij Albert Heijn kopen, in pilletjes van 5 milligram… In Amerika kun je 5 milligram dextro-amfetamine kopen. Dan weet je precies hoeveel je neemt, maak je nooit fouten. Maar zelfs als deze stoffen legaal zijn, kun je in een verdwaasde bui teveel nemen en ga je dood.’

-Maar heroïne zou dus niet hoog scoren in jouw ranking?
‘Heroïne scoort helemaal niet hoog. Tenzij je een ongeoefende gebruiker bent en teveel neemt. Maar je zou mensen best kunnen leren: als je heroïne lekker vindt, gebruik dan niet meer dan zóveel als je er net mee begint, want dan ga je dood.’ Hij erkent dat het nog wel even zal duren voordat een dergelijk Postbus 51-spotje op tv verschijnt. ‘Drugs zijn nog steeds een symptoom van een specifiek paternalisme en dat staat voor veel meer: voor een levensbeschouwing en een manier van definiëren wat goed leven is. En voor een manier van je autoriteit toe-eigenen om dat ook op te leggen: wij willen dat mensen zó leven.’ Voor de langere termijn is Cohen overigens wél optimistisch. Hij wijst op de gigantische weerstand die er vroeger tegen abortus was. ‘Op een gegeven moment wordt het toch anders. Ook decriminalisering van drugs zal zeker komen. Je moet er alleen nu niet je zeilen op scheuren.’

Wat hem misschien nog wel het meest vermoeit, is dat ook progressieve mensen zoveel onzin vertellen over drugs. Zelfs de activisten. ‘Dat is het grootste probleem van bijna alle drugsbeleidhervormers die ik ken: ze praten de grootst mogelijke nonsens over drugs. Ze geloven óók in verslaving en geneesmiddelen en dokters die verslaafden helpen. Je moet verslaafden niet in de gevangenis stoppen, je moet ze behandelen! Ik word er gek van, ik kan er niet meer tegen! En al die onzin over nicotine en tabak… Dan zeggen mijn collega drugshervormers: tabak is veel gevaarlijker! Oh ja? Hoe weet je dat nou? Dat weten ze niet. Dezelfde overheden die roepen dat cocaïne zo gevaarlijk is, roepen ook dat tabak zo gevaarlijk is. Van cocaïne geloven ze het al niet zo erg, maar van tabak wel.’

-Hoe zit dat dan? Daar worden teveel doden aan toegeschreven?
‘Ja. Er zijn heel veel rechtszaken geweest -en ik heb gewerkt voor advocaten in die zaken- van mensen wiens familielid was doodgegaan aan longkanker. En dat zou gekomen zijn door roken. Het is nog nooit in één geval bewezen dat dat ook zo was. Er zijn wel vormen van kanker die je aan stoffen toe kunt schrijven, omdat die kankerspecifiek zijn. Kanker die door asbest ontstaat, ontstaat alléén door asbest. Met longkanker is dat niet zo. Ik woon nu in een modern huis, de lucht die in mijn huis wordt geblazen, gaat door filters heen. Nou jongen, je houd niet voor mogelijk hoe vaak ik die moet schoonmaken en wat voor zwarte troep eruit komt. Gewoon van de luchtkwaliteit. Maar gaan mensen nou dood van roken? Ik heb er nooit wat van geloofd.’

-Waarom ben je dan zelf gestopt?
‘Ik ben gestopt toen ik ouder werd en wilde blijven duiken. Ik merkte dat mijn conditie minder was als ik rookte. Dus ik hield altijd al op als ik in Griekenland was. Tot ik dacht: waarom stop ik niet helemaal, ik gebruik al zoveel troep. Maar goed, dat tabaksgedoe, dat doe ik ook allemaal niet meer. Wat ik heb geleerd is om al die verhalen over gevaar van stoffen, verslavendheid van stoffen…’

-te wantrouwen?
‘Niet te wantrouwen, om gewoon te denken: onzin. Dat is altijd mijn eerste gedachte: het is onzin. Laat maar eens zien, in goed onderzoek, dat het zo is. En het is nooit zo.’

De VOC Blog

Welkom bij het VOC, dé koepel van alle organisaties en individuen in Nederland die gekant zijn tegen het verbod op cannabis. Repressie is dure en contraproductieve symboolpolitiek. Wereldwijd vindt het Nederlandse beleid van decriminalisering steeds meer weerklank. Het is tijd voor de volgende stap: cannabis uit de strafwet.