Hoogte- en dieptepunten van het drugsdebat deel 2

  • SHARE:
  • Tweet this

March 29th, 2012 | 20:36
Door webmaster

De voortzetting van het hoofdlijnendebat over het drugsbeleid in de Tweede Kamer was in meerdere opzichten een ontnuchterende ervaring. Conclusie: tegen dit kabinet valt met argumenten en feiten niet op te debatteren.

Op deze pagina staat een selectie van citaten en confrontaties uit het debat van gisteren, 28 maart 2012. Mocht het ooit tot een parlementaire enquête komen over de desastreuze koerswijziging in het drugsbeleid, dan zijn de handelingen van dit debat belangrijk bewijsmateriaal.De VOC zet de strijd voort: voor een rechtvaardig en rationeel cannabisbeleid en tegen betutteling, symboolpolitiek en repressie. Eén ding staat vast: we zullen het kabinet Rutte-Verhagen met gemak overleven.

Voor het volledige (ongecorrigeerde) verslag van het drugsdebat: klik hier.

Drugsbeleid

Aan de orde is de voortzetting van het debat over de hoofdlijnen van het drugsbeleid.

Ivo Opstelten (VVD), drugsdebat 28 maart 2012 (©Gonzo media)

Ivo Opstelten (VVD), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

De voorzitter:
Ik vraag de minister van Veiligheid en Justitie om aan te geven hoe zijn antwoord is geordend. Wij kunnen ons daarop richten bij het plaatsen van interrupties.

De beraadslaging wordt hervat.

Minister Opstelten:
Voorzitter. Eerst ga ik in op een paar hoofdlijnen. Daarna beantwoord ik de vragen. Vervolgens ga ik in op het coffeeshopbeleid en de brief die ik daarover gestuurd heb inclusief de besloten clubs, de voorwaarden die erbij horen et cetera. (…) Het coffeeshopbeleid is naar onze mening uit de hand gelopen. Het Nederlands drugsbeleid moet worden herijkt. Het coffeeshopbeleid had weliswaar onder meer tot doel om de criminaliteit de wind uit de zeilen te nemen, maar nu, jaren later, kan worden geconstateerd dat het tot averechtse effecten heeft geleid. Softdrugs zijn gaandeweg steeds meer gepaard gegaan met harde criminaliteit en overlast. Hennepteelt heeft zich ontwikkeld tot een omvangrijke, professioneel georganiseerde industrie. Coffeeshops zijn in veel gevallen grote ondernemingen geworden waar dagelijks duizenden drugstoeristen op afkomen. Bijvoorbeeld 70% tot 80% van de coffeeshopbezoekers in Venlo en Maastricht komt uit de buurlanden en veroorzaakt overlast. (…) Ik begin met de hoofdlijnen van de aanscherping van het coffeeshopbeleid. Overlast en criminaliteit rondom de coffeeshops moeten stoppen. Coffeeshops zullen terug moeten naar waar zij oorspronkelijk voor bedoeld waren. Zij waren bedoeld als verkooppunten voor lokale gebruikers en niet als grootschalige voorzieningen voor consumenten uit andere landen. De situatie moet weer kleinschalig en beheersbaar worden. Drugstoeristen zullen daarom moeten worden geweerd. Ik zal de concrete maatregelen in dit kader op hoofdlijnen langslopen.

Ten eerste: coffeeshops worden besloten clubs, alleen toegankelijk voor meerderjarige ingezetenen van Nederland, vanuit het oogpunt van kleinschaligheid en vooral beheersbaarheid. Ten tweede: er komt een afstand van ten minste 350 meter tussen scholen en coffeeshops.

Tofik Dibi (GroenLinks), drugsdebat 28 maart 2012 (©Gonzo media)

Tofik Dibi (GroenLinks), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

De heer Dibi (GroenLinks):
De minister begon zijn inleiding met de conclusie dat de hennepteelt in handen is van de georganiseerde misdaad. Onder andere door dagblad DePers is vandaag een aantal vraagtekens geplaatst bij de algemene conclusies die het kabinet verbindt aan het drugsbeleid. Een daarvan was de claim dat de georganiseerde misdaad de hennepteelt helemaal in handen heeft. Uit onderzoek in opdracht van de Taskforce aanpak georganiseerde hennepteelt blijkt dat de gemiddelde thuiskweker een man is van 40 jaar met een koopwoning, die af en toe een wietplantje kweekt om zijn hoge uitgaven een beetje te compenseren. Kan de minister aangeven wat zijn onderbouwing is voor de stelling dat de hennepteelt massaal in handen van de georganiseerde misdaad is?

Minister Opstelten:
Ja, dat kan ik. Daarnaar is veel onderzoek gedaan. Ik kan bijvoorbeeld verwijzen naar de grote offensieven die nu plaatsvinden door de zogenaamde B5-taskforce in Brabant. (…) De Task Force Aanpak Georganiseerde Hennepteelt adviseert het kabinet mede in het beleid en steunt dat beleid ten volle. Het barst van de rapporten. Het gaat om de feiten in de criminaliteit. Het OM, de politie en de burgemeesters voeren allen het beleid uit en willen dat ook. Over het coffeeshopbeleid is hier en daar wel een verschil van mening. Hier en daar is het een discussiepunt, maar niet meer dan dat. De aanpak van de georganiseerde criminaliteit in relatie tot de aanpak van illegale hennepteelt is naar de mening van velen slechts een begin.
(…)

Lea Bouwmeester (PvdA), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

Lea Bouwmeester (PvdA), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

Mevrouw Bouwmeester (PvdA):
De minister heeft een aantal grote negatieve gevolgen van de coffeeshops opgenoemd, zoals de criminaliteit rondom de teelt en de oncontroleerbaarheid van het THC-gehalte. Wij delen die bezwaren van de minister volledig, maar hij komt niet met een oplossing. Je moet de wiet uit de criminaliteit halen! Dat maakt dat de coffeeshop transparant is. Dan kunnen wij kwaliteitseisen aan de wiet stellen en korte metten maken met de thuisteelt. Kortom, wij moeten eerst de kraan dichtdraaien voordat wij gaan dweilen. De coffeeshop moet een normaal bedrijf worden. Dan kun je het drugsgebruik net als alcoholgebruik behandelen en het echt aanpakken. Is de minister van Veiligheid voor het echte aanpakken of maakt hij van dit debat het grote “dweilen met de kraan open”-debat?

Minister Opstelten:
Als u mij kende, zou u die vraag niet stellen. Wij pakken het als kabinet echt aan, heel stevig. Het is totaal niet dweilen met de kraan open, zoals u zegt. Wij brengen het langzamerhand terug. Daar is even tijd voor nodig. Wij hebben die tijd ook genomen en wij zijn hier redelijk succesvol in doordat wij goede en heldere afspraken hebben gemaakt met de burgemeesters in het zuiden van het land. Wij zijn klaar om te starten. Daardoor zullen de buitenlandse drugstoeristen daar niet meer komen. Er zal geen sprake zijn van verplaatsing van de handel van binnen naar buiten; daarvoor hebben wij operationele maatregelen genomen.
(…)

Nine Kooiman (SP), drugsdebat 28 maart 2012 (©Gonzo media)

Nine Kooiman (SP), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

Mevrouw Kooiman (SP):
Dit stond vandaag in de krant. Ik zal het even voorlezen: “ik luister lekker toch niet” Dat zegt de minister in deze krant en dat gevoel heb ik ook. Alleen al bij de inleiding hebben we erover gesproken dat de georganiseerde misdaad enorm is. Over de drugsteelt zeggen we dat dit allemaal illegaal is en dat we het moeten aanpakken. De heer Dibi heeft het ook al gevraagd maar hij kreeg geen antwoord. Ik probeer het daarom vandaag nog een keer. Kan de minister één rapport geven waarin wordt aangegeven dat we inderdaad te maken hebben met heel grote georganiseerde misdaad als het gaat om hennepteelt?

Minister Opstelten:
Ik heb net al gezegd dat het forse aantal onderzoeken naar georganiseerde hennepteelt en de zeer ernstige geweldsincidenten in Brabant eind 2010 die betrokkenheid bevestigen. Ook de commissie Van der Donk, die natuurlijk heeft gerapporteerd en die de Kamer kent, en de commissie Garretsen hebben dit al eerder geconcludeerd. Dat zijn nog een paar extra rapporten die ik in dit verband kan noemen en die overigens aangeven wat iedereen in Nederland die hiermee te maken heeft eigenlijk weet. Het is geen verrassend nieuws. Het is alleen een bevestiging, waarin nog eens op een rijtje wordt gezet wat iedereen weet. We zijn er ook allemaal heel hard mee aan het werk, met bijna Kamerbrede steun.

Mevrouw Kooiman (SP):
Dat klopt niet: die cijfers zijn mij niet bekend en die hebben wij ook niet. Er is echter een laatste rapport dat Geldbomen op zolder heet. Daarin wordt aangetoond dat het helemaal niet gaat om grote georganiseerde misdaad, maar dat er voornamelijk sprake is van thuistelers die inderdaad een paar bomen op zolder hebben en dat het probleem niet zo groot is als de minister vandaag doet voorkomen. Dat laatste onderzoek is van september 2011. Kan de minister daar eens op reageren?

Minister Opstelten:
Ik kan nu niet specifiek op dat rapport als zodanig ingaan, maar kan wel zeggen dat natuurlijk ook die situatie voorkomt. De kern van de hele aanpak is toch een drugsgerelateerde criminaliteit die zich op grootschalige illegale hennepteelt concentreert. Het ontmantelen van de illegale hennepteelt is daarbij de eerste stap. De tweede is het doorrechercheren en uitkomen bij de echte drugscriminaliteit. Die is heel groot en georganiseerd.
(…)

Andre Elissen (PVV), drugsdebat 28 maart 2012 (©Gonzo media)

Andre Elissen (PVV), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

De heer Elissen (PVV):
Ik heb dit zo allemaal aangehoord, maar ik schrik toch wel een beetje van het beeld dat door de collega’s wordt neergezet bij de vraag of de georganiseerde misdaad is betrokken bij de hennepteelt. Wij hebben de afgelopen jaren tal van rapporten ontvangen. Ook is er het grote programma Aanpak georganiseerde hennepteelt. Is de minister het mij eens dat degenen die hennep telen, afgezien van die enkele burger die om welke reden dan ook een paar plantjes thuis heeft staan -en met een paar bedoel ik echt niet meer dan vijf niet al te grote plantjes- gewoon criminelen zijn die volop met deze handel bezig zijn?

Minister Opstelten:
Wat de heer Elissen nu zegt, is kort samengevat de inleiding van mijn betoog.

De voorzitter:
Nou, dan zou ik dat, als ik u was … Nou goed.

Ivo Opstelten (VVD), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

Ivo Opstelten (VVD), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

De heer Elissen (PVV):
Ik vind het fijn om dat te horen.

Minister Opstelten:
Bondiger kan het niet.

De heer Elissen (PVV):
Ik had even het idee dat twijfel ontstond, maar naar de mening van de PVV zijn het gewoon criminelen die keihard moeten worden aangepakt.
(…)
Minister Opstelten:
Ik ga in op de regulering van de achterdeur. Naar onze mening dient er geen regulering te zijn van de achterdeur.
(…)
De heer Van der Ham (D66):
De minister heeft gezegd dat het reguleren van de achterdeur niet kan vanwege internationale verdragen. Dat is natuurlijk grote onzin. Op dit moment hebben wij in Nederland namelijk helemaal geen gelegaliseerde voordeur. Wij hebben een prioriteitstelling bij de politie waarbij zij niet ingrijpt bij verkoop van cannabis als wordt voldaan aan een aantal criteria, de zogenaamde AHOJ-G-criteria.

Voor de rest valt het allemaal nog steeds onder het verdrag. Nu komt mijn vraag aan de minister. Als een politieagent bij een wietteler binnenkomt die geen overlast veroorzaakt in de buurt, die niet bezig is met brandgevaarlijke zaken en die voor de volle 100% levert aan een gereguleerde coffeeshop, dan zal de minister het toch met mij eens zijn dat de vervolging van die teler minder prioriteit verdient dan de vervolging van een teler die vooral bezig is met verkoop aan het buitenland en aan illegale dealers op straat, zeker als die teler ook nog eens geïnvolveerd is met allerlei andere criminele organisaties? Een politieagent, een goede rechercheur, zal toch in eerste instantie prioriteit geven aan grote boeven en niet aan boeven die volgens de wet wel boef zijn — ze mogen immers geen wiet telen — maar die bij wijze van spreken alleen maar aan coffeeshops leveren? Dat soort onderscheid mag een politieagent toch nu ook al maken?

Minister Opstelten:
Het gaat erom wat het gezag doet en dat zijn het OM en de burgemeesters. Die bepalen wat de politie doet. De aanpak van illegale hennepteelt is gewoon een prioriteit. Of het klein of groot is, kan van belang zijn. De ernstigste zaken hebben altijd meer prioriteit dan minder ernstige zaken, maar als je er tegenaan loopt, wordt het aangepakt.
(…)
Minister Opstelten:
Het kan niet. Ik heb net aangegeven waarom niet. We hebben aan de voordeur te maken met een gedoogbeleid. Dat is juist. Als je het aan de achterdeur gaat gedogen, dan loop je aan tegen de punten die ik aangaf. De Opiumwet, kijkt u die erop na, VN-traktaat en wetgeving van de EU. Dat doen wij niet. We willen het ook niet, laat ik dat eveneens nadrukkelijk zeggen. Dat zijn twee punten. We doen het niet, we mogen het niet doen en we willen het ook niet. Daarom kom ik tot mijn slottekst: we gaan niet de weg op dat de overheid een dealer wordt van coffeeshops.

Boris van der Ham (D66) overlegt met de Kamervoorzitter (© Gonzo media)

Boris van der Ham (D66) overlegt met de Kamervoorzitter (© Gonzo media)

De heer Van der Ham (D66):
Ik discussieer niet zo vaak met deze minister, maar ik ben werkelijk teleurgesteld in de oppervlakkige beantwoording. Er zijn bakken vol juristen die hierover hebben geschreven, overigens op sommige punten zeer genuanceerd, en daar gaat u niet op in. U wilt het niet. Dat is een reden, maar dat is dan ook de enige reden. Op alle andere overwegingen die ik u daarnet heb meegegeven, gaat u niet in, maar die kunt u ook niet ontkrachten. Dat hebt u niet inhoudelijk gedaan.
(…)
De heer Dibi (GroenLinks):
Stel dat op basis van internationale verdragen zou blijken dat wij de achterdeur wel mogen reguleren, zou de minister daar dan voor openstaan?

Minister Opstelten:
Het antwoord is nee. Ik heb ook niet voor niets gezegd dat het niet kan, dus bij die tweede vraag zijn wij niet aangekomen. Het tweede punt is dat wij met het drugsbeleid terug willen. Dat is duidelijk. Daarmee ben ik ook begonnen, want dat is mijn kernpunt. Wij willen niet het putje van de wereld worden waar iedereen naartoe gaat.
(…)
Maar wij worden dat dat betreft bediend in de regelgeving die het ons ook niet mogelijk maakt.

De heer Dibi (GroenLinks):
Dat schept duidelijkheid, want dat wijst uit dat deze minister ideologisch gedreven is, dat hij ideologisch af wil van de coffeeshops en niet wil bekijken wat het verstandigste beleid is om de volksgezondheid te verbeteren en de georganiseerde misdaad tegen te gaan. Dan heb ik een vervolgvraag, als dit dan toch een ideologisch debat is, dat totaal niet gebaseerd is op feiten. Wat bedoelde de minister toen hij bij de VVD in Leiden sprak van “dat rare systeem van de achterdeur”? Wat is daar dan raar aan?

Edith Schippers (VVD), minister van VWS, tijdens het drugsdebat, 28 maart 2012 (© Gonzo media)

Edith Schippers (VVD), minister van VWS, tijdens het drugsdebat, 28 maart 2012 (© Gonzo media)

Minister Opstelten:
Wij hebben een gedoogbeleid aan de voordeur en wat aan de achterdeur gebeurt, is illegaal. Dat is iets waarover wij met zijn allen voortdurend discussiëren en debatteren. Dat is ingewikkeld. Het is ook ingewikkeld om dat in het buitenland uit te leggen.

Ik ben echter niet ideologisch gedreven om het de nek om te draaien, want dan hadden wij dat meteen wel gedaan. Dat is dus een accentverschil met wat de heer Çörüz aangeeft. Dat zeg ik nadrukkelijk. Een en ander heeft ook aspecten van volksgezondheid, maar daar zal collega Schippers op ingaan. Het gaat ook om beheersing, in die zin dat wij het open houden voor degenen die niet zonder kunnen, maar dan wel strakker, stringenter en kleinschaliger.

De heer Dibi (GroenLinks):
Er is werkelijk geen enkele onderbouwing voor wat de minister zegt. Het buitenland is Nederland massaal aan het na-apen. Zelfs landen als de VS, traditioneel zeer conservatief als het gaat om drugsgebruik, zien dat de war on drugs mislukt en dat dit leidt tot grote problemen voor de volksgezondheid. Toch grijpt de minister de ervaringen in andere landen aan om te onderbouwen dat wat wij hier doen slecht is. Als de minister het systeem van de achterdeur dan zo’n raar systeem vindt, als hij verblind door ideologie gewoon af wil van alle drugsgebruik, hoewel tabak en alcohol geen probleem zijn, waarom sluit hij dan niet gewoon alle coffeeshops en zet hij daar de politiesterkte op in?

Minister Opstelten:
Ik heb al gezegd dat ik dit ideologische punt niet deel, want anders waren wij er wel mee gekomen. Wij willen de coffeeshops beperken. Ik heb al in dit huis gezegd dat ik blowen als zodanig slecht vind. Dat speelt een rol. Je moet het beperken, maar er is een opening voor degenen die niet zonder kunnen. Ik ben recent ook in de VS geweest. Ik heb daar gesproken met de instanties die hierover gaan. Zij hebben onze aanpak geprezen. Het is voor het eerst dat dit is gebeurd. Ik heb gevraagd of ik dat hier mocht vertellen en dat kon. Het is voor het eerst dat de DEA de Nederlandse drugsaanpak van ons kabinet stimuleert, prijst en als zodanig steunt.
(…)
De heer Dibi stelde een vraag over de privacy; ook de heer Elissen sprak daarover. De vaste commissie heeft het verzoek gedaan om advies te vragen aan het College bescherming persoonsgegevens. Dat is gebeurd en ik wacht dit advies af. Als het binnen is, krijgt de Kamer het per omgaande toegezonden.

De verantwoordelijkheid voor de omvorming tot een besloten club, inclusief een correcte ledenadministratie, ligt geheel bij de coffeeshophouder.

Hieruit volgt dat coffeeshophouders een beperkt aantal persoonsgegevens dienen vast te leggen, dat in verband met de doelbinding beperkt is tot de naam, de geboortedatum en de postcode of de woonplaats van een lid gedurende het lidmaatschap. Volgens het College bescherming persoonsgegevens dient de verwerking van de persoonsgegevens te worden gemeld door de coffeeshophouder. Dat is de kern van het privacyaspect. Ons lijkt dat dit geen enkel punt is, want een coffeeshop is gewoon een club. Vervolgens wordt de invoering van de clubpas en van de ledenadministratie gecontroleerd, door de coffeeshophouder en door de politie of andere toezichthouders die binnenkomen in een coffeeshop.

Ard van der Steur (VVD), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

Ard van der Steur (VVD), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

(…)
Minister Opstelten:
De heer Van der Ham en de heer Van der Steur hebben vragen gesteld over de registratie en het ledenaantal van coffeeshops. Op dit moment zijn er geen concrete aanknopingspunten voor het vermoeden dat Nederlandse ingezetenen zich niet zouden willen registreren als lid van de coffeeshop. Coffeeshops moeten klein en besloten worden.
(…)
De heer Dibi (GroenLinks):
Ik dank de minister dat hij het verzoek van de Kamercommissie honoreert om het College bescherming persoonsgegevens advies te laten uitbrengen over de privacy. Maar wordt de invoering van de wereldvreemde wietpas daarmee uitgesteld totdat het advies er is?

De minister zegt dat de registratie een zaak is tussen ondernemer en leden. Dat klopt niet. Het is namelijk een verplichte registratie, die opgelegd is door de overheid. Wat mag er geregistreerd worden en wat niet? Lopen gebruikers kans op strafrechtelijke vervolging als zij geregistreerd zijn?

Minister Opstelten:
De invoering wordt niet uitgesteld totdat het advies binnen is. Wij vonden het advies zelf niet nodig, maar hebben dit op verzoek van de Kamercommissie gevraagd, per ommegaande. Er bestaat echter geen aanleiding om met de invoering te wachten.

Voorpagina De Pers 28 maart 2012 (© De Pers)

Voorpagina De Pers 28 maart 2012 (© De Pers)

(…)
Mevrouw Bouwmeester (PvdA):
Het is heel teleurstellend dat de kop uit De Pers vanmorgen waarin het kabinet “Ik luister lekker toch niet” zegt, wordt bevestigd door de minister. De minister zegt namelijk dat het hem helemaal niet uitmaakt met wat voor rapport het College bescherming persoonsgegevens komt, omdat hij toch lekker doorgaat. Dat is dus een signaal aan de Kamer dat zij het maar lekker moet uitzoeken, omdat de minister er niet naar luistert. Dat vind ik heel erg. Op het moment dat de minister tegelijkertijd zegt — en ik kom nu tot mijn vraag — dat allerlei toezichthouders toegang hebben tot die informatie, zegt de minister dan tegen de mensen in het land: zoek het maar uit, ik ga vrolijk door en ik luister lekker toch niet? Wij weten immers dat er heel veel consumenten zijn die helemaal niet geregistreerd willen worden.
(…)
Mevrouw Bouwmeester (PvdA):
Ik concludeer dat het kabinet zegt dat het gewoon doorgaat, wat er ook maar in dat advies staat. Vroeger stond de privacy van mensen nog hoog in het vaandel, maar bij dit kabinet blijkbaar niet. Daarnaast blijft het in dit debat dweilen met de kraan open, omdat we niets doen aan het werkelijke probleem. We reguleren de teelt namelijk niet, er zijn te weinig agenten en verder gaat het kabinet zijn gang. Daarom vraag ik mij als Kamerlid af waarom wij hier eigenlijk nog een debat voeren, als het kabinet alleen zijn eigen beleid gaat uitvoeren.

Minister Opstelten:
Het viel mij inderdaad op in de bijdrage van mevrouw Bouwmeester dat zij voortdurend zei dat het dweilen met de kraan open is. Ik vraag haar om ook naar mij te luisteren, want dat is het niet. We zijn natuurlijk niet gek. Je kunt het niet eens zijn met de regulering en met de achterdeur, maar het is niet dweilen met de kraan open. Dat is het in feite totaal niet. Wij zorgen namelijk voor extra politiecapaciteit.
(…)
De heer Van der Ham (D66):
Stel dat we het gaan invoeren zoals de minister dat gaat doen, dan hebben we nog steeds de coffeeshop, die zich in een criminogene sfeer begeeft. De achterdeur is namelijk nog niet gereguleerd, want dat wil de minister zo houden. Er is straks informatie beschikbaar van mensen die blijkbaar cannabis gebruiken. Er zijn bepaalde vakken en banen waarbij je dan een probleem hebt met je werkgever, terwijl je helemaal niet een grootgebruiker hoeft te zijn. Dat kan een chantagemiddel zijn voor mensen die daarvan misschien niet aan de voordeur maar aan de achterdeur gebruik willen maken. Ziet u dat dilemma?

De voorzitter:
Ziet de minister dat dilemma?

Minister Opstelten:
In dit kader zie ik dat dilemma totaal niet. Nee, een gebruiker heeft een vrije keus. Daar zijn wij voor, want anders zouden wij dat nog verder inperken of verbieden.

De gebruiker weet wat hij doet. Hem zal niets aangedaan worden. Hij moet alleen voldoen aan de spelregels voor het lidmaatschap van de club en dan krijgt hij een prachtig clubpasje.

De heer Van der Ham (D66):
Met alle respect, maar ik vind het echt bijna pijnlijk worden dat de minister niet ingaat op geschetste problemen die zich kunnen voordoen.
(…)
De heer Van der Ham (D66):
Garandeert de minister dat je vanwege het enkele feit dat je lid bent van een coffeeshop niet juridisch in de problemen komt? Staat hij ervoor garant dat dit op zichzelf niet een feit is dat tegen je gebruikt kan worden in een strafproces of waar dan ook? Anders hebben we namelijk een probleem.

Minister Opstelten:
Het punt, as such, dat je lid bent van een coffeeshop, kan niet tegen je gebruikt worden in een strafproces. Ik kan niet garanderen wat er met iemand gebeurt. Dat is zijn eigen verantwoordelijkheid. Dat zal de heer Van der Ham met mij eens zijn. Door het feit dat je lid bent van een club, kun je niet strafrechtelijk in de problemen komen. Totaal niet. Dat standpunt delen wij.
(…)
De heer Elissen (PVV):
Ik begrijp in ieder geval dat degene die toezicht houdt, of dat nu de gemeente is of de politie, uitsluitend bekijkt of iemand ingezetene is en achttien jaar is. De gegevens worden dus niet zomaar aan anderen ter beschikking gesteld. Als dat zo is, is voor ons de privacy voldoende gewaarborgd.

Minister Opstelten:
Uiteraard is dat absoluut een randvoorwaarde. Als een coffeeshophouder daar niet aan voldoet, dan overtreedt hij de spelregels en gaat zijn zaak dicht.

Ivo Opstelten (VVD), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

Ivo Opstelten (VVD), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

(…)
De heer Dibi (GroenLinks):
Hoe meer ik hoor, hoe wereldvreemder deze minister op mij overkomt. Ik weet niet of de minister het doorheeft, maar agenten zijn massaal aan het protesteren, omdat er volgens hen niet nog even iets bij kan, zoals de minister dat zojuist zo gratuit zei. Ik stel mijn vraag nogmaals. Er zijn 49.500 agenten in Nederland, van wie er 500 animal cops zijn. Dan komen we dus op 49.000 agenten. Die hebben heel veel prioriteiten, van kinderporno tot illegalenjacht. Waar worden die fte’s weggehaald? Ten koste waarvan wordt dit werk gedaan? Wat wordt er minder gedaan? Verder zou ik willen weten of de G4 er capaciteit bij krijgt.

Minister Opstelten:
Met de gemeenten zijn afspraken gemaakt. Het gaat niet ten koste van andere activiteiten en prioriteiten, zoals ik al aan de Kamer heb laten weten. Dit is bovendien tijdelijk. Meer dan iets tijdelijks is ook niet nodig. Dit gebeurt wel vaker in het land.
(…)
De heer Van der Ham (D66):
Het waterbedeffect is een belangrijk punt in het drugsdebat. Is het probleem in steden, bijvoorbeeld de verkoop aan minderjarigen, nu voornamelijk een probleem door de verkoop door coffeeshops? Of is het vooral een probleem door de verkoop door illegale wietdealers op straat? Uit onderzoek blijkt dat het vooral het laatste is. Coffeeshops verkopen niet aan minderjarigen; dat komt nauwelijks voor. Was het ook maar zo in de normale horeca. Bevestigt de minister dit?

Ziet de minister het volgende gevaar? Als een coffeeshop maar 2000 klanten mag hebben, wil hij natuurlijk de klanten hebben die het meeste afnemen en daar elke week of misschien wel dagelijks iets kopen. Dan heeft hij omzet. Mensen die bijvoorbeeld een keer in de zoveel tijd iets willen gebruiken, zal hij liever niet onder zijn clientèle hebben: liever iemand die veel uitgeeft dan minder. Dan is er toch een incentive voor gebruikers om meer illegaal te kopen? Ziet de minister dat dilemma?

Minister Opstelten:
Ik ben het eens met de heer Van der Ham dat in grote lijnen coffeeshops die deugen en die zich aan de voorwaarden houden, scherp letten op minderjarigen. Dat is ook mijn ervaring uit het verleden. In een aantal steden krijgt men direct de rode kaart, als er een overtreding wordt geconstateerd. Daar geldt een zerotolerancebeleid. Ik ben het ermee eens dat de handel op straat daar een probleem is. Die moet je dan ook aanpakken. Dat vind ik de winst van dit beleid.
(…)

Coşkun Çörüz (CDA) en Kees van der Staaij (SGP), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

Coşkun Çörüz (CDA) en Kees van der Staaij (SGP), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

De heer Van der Ham (D66):
Over het eerste zijn wij het eens: straathandel moet je aanpakken, alleen al om de markten gescheiden te houden. Je kunt boven de 18 wel cannabis kopen, maar geen andere drugs, zelfs geen alcohol. Dat is een goed beleidspunt en dat moeten we zo houden. Op straat heb je die garantie niet, integendeel. Daarover zijn we het dus eens. Ik ben ook blij dat de minister erkent dat het gedoogbeleid — ik kijk even naar de heer Çörüz — succesvol is, zeker op dat punt. Dat hebben we goed gedaan in Nederland. Dat zegt trouwens ook de commissie die ons daarover heeft geadviseerd.

De minister gaat echter een beetje om het tweede punt heen, terwijl dat een heel wezenlijk punt is. Als je nog maar clientèle van 2000 mensen hebt, wil je nog wel je omzet halen. Als iemand een keer in de zoveel tijd en dus heel spaarzaam een joint rookt — dat vinden wij natuurlijk prachtig, want als je het doet, doe het dan in ieder geval niet zo vaak — is dat voor de coffeeshophouder niet zo aantrekkelijk. Er kan een soort selectie komen, bijvoorbeeld dat grootgebruikers een pasje krijgen en de anderen te horen krijgen dat het vol zit. Hoe wil de minister voorkomen dat de incidentele gebruiker naar de straat wordt verbannen, omdat hij het daar een keer in de zoveel tijd wel kan krijgen?

Minister Opstelten:
Daarom is het heel goed dat burgemeesters zich hierachter scharen. Ook al zijn ze het niet allemaal eens met het beleid, zij steunen het om die reden. Ik vind het fair om dat zo te regelen en ik vind het heel belangrijk dat zij waarborgen dat dit niet gebeurt. Het is natuurlijk ook een kwestie van toezicht. Zo groot zijn die steden ook niet en daar zijn de signalen zo helder en zo duidelijk aan te geven dat kan worden ingegrepen als dit soort misstanden plaatsvindt.
(…)
Minister Opstelten:
Over het afstandscriterium heb ik al het nodige gezegd. De eerste stap is de invoering van het afstandscriterium per 1 januari 2014. Per die datum zal de minimale afstand tussen coffeeshop en een school voor voortgezet of middelbaar beroepsonderwijs voor scholieren jonger dan achttien jaar ten minste 350 meter moeten zijn. Ik vind het van groot belang dat eerst de meest vatbare groep wordt beschermd tegen het gebruik van en de blootstelling aan softdrugs. In deze kabinetsperiode zal ik daarna maatregelen treffen om het afstandscriterium uit te breiden tot de basisscholen; dat gebeurt dus na 1 januari 2014.
(…)
De heer Dibi (GroenLinks):
Het afstandscriterium leidt ertoe dat we in Amsterdam van 221 coffeeshops naar 36 gaan, in Rotterdam van 43 naar 7, in Utrecht van 14 naar 6 en in Den Haag van 38 naar 20. Vervolgens moet je ook nog een wietpas aanvragen. Maximaal 2000 leden. Wat denkt de minister dat al die recreatieve gebruikers gaan doen? Waar gaan ze heen?

Minister Opstelten:
Natuurlijk ken ik die cijfers. Eerst gefaseerd het voortgezet onderwijs, want dat vinden wij het meest belangrijk. Daarna neem ik maatregelen om naar het basisonderwijs te gaan. Wat die maatregelen precies zijn, moet ik natuurlijk bekijken. Dan gaat het om het effect van het beleid en waartoe dat leidt. Daar kom ik met posities aan die ik met de Kamer zal delen. Maar de Kamer en de gemeenten hebben recht op een duidelijke lijn.

De heer Dibi (GroenLinks):
Ik heb absoluut geen antwoord gekregen op mijn vraag. Als het afstandscriterium wordt doorgevoerd, zal sprake zijn van een drastische afname van het aantal coffeeshops. Heel veel ondernemers zullen werkloos worden, of ander werk moeten gaan zoeken. Waar gaan al die mensen die nu recreatief gebruiken volgens de minister heen?

Minister Opstelten:
Dat hoeft helemaal niet. We hebben natuurlijk tijd. Het kan ook zijn er ondernemers zijn die zeggen: dank voor de duidelijkheid, het werd tijd dat die er kwam, wij gaan ons ergens anders vestigen. Ik ken voorbeelden daarvan. Het zijn vaak heel goede ondernemers, die worden geconfronteerd met iets waardoor hun ondernemerschap even wordt gehinderd. Dat is een kwestie van tijd; over drie jaar zijn ze in de gelegenheid om elders hun positie in te nemen, binnen de spelregels die wij als overheid hebben gesteld.

Drugsdebat Tweede Kamer, 28 maart 2012 (© Gonzo media)

Drugsdebat Tweede Kamer, 28 maart 2012 (© Gonzo media)

(…)
Mevrouw Bouwmeester (PvdA):
Het lijstje “ik luister lekker toch niet” begint vrij lang te worden in dit debat. Ik noem: er is onvoldoende politiecapaciteit; dat wordt genegeerd. De gemeenten hebben massaal de wietpas afgewezen; dat wordt genegeerd. Wat er ook uit het onderzoek van het CBP komt, het kabinet gaat gewoon door. Gemeenten vinden dat het afstandscriterium hun niet aangedaan moet worden, want er wordt een probleem veroorzaakt; het kabinet gaat gewoon door. De vraag is al door mijn twee collega’s gesteld, en ik ga haar nu voor de derde keer stellen: als je al die coffeeshops sluit, gaan de gebruikers naar het illegale circuit. Wat gaat de minister daaraan doen? Op welke wetenschappelijke basis is het afstandscriterium gebaseerd?
(…)
Mevrouw Bouwmeester (PvdA):
De minister heeft gelijk. De gemeenteraden zijn massaal buiten spel gezet en de burgemeesters zijn gedwongen om mee te werken. Dat klopt. Mijn vraag is de volgende. Op het moment dat er zo veel coffeeshops in Amsterdam gesloten worden, zullen hun klanten voortaan bediend worden door de straathandelaren. Je creëert zo dus straathandel, die niet aangepakt kan worden. De minister zegt immers zelf dat hij in 2014 gaat nadenken over extra capaciteit in Amsterdam. Er wordt dus straathandel veroorzaakt, terwijl er geen extra agenten bij komen. Ik vraag mij af: denkt de minister dat iedereen spontaan stopt met blowen als er een afstandscriterium wordt ingesteld? Gaan wij ook alle terrassen sluiten waar mensen bier drinken? Zien drinken doet ook drinken, toch?

Minister Opstelten:
Dat is een zaak van het gemeentebestuur. Ik zou het zeker niet willen aanraden aan de G-4. Ik herhaal dat het mijn inzet is om de straathandel maximaal terug te dringen en de burgemeesters daarin te steunen. Ik geef alleen de lange lijn aan waarlangs wij werken. Tot 2014 het voortgezet onderwijs en daarna ook maatregelen voor het basisonderwijs.

V.l.n.r.: Elissen (PVV), Çörüz (CDA), Van der Steur (VVD), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

V.l.n.r.: Elissen (PVV), Çörüz (CDA), Van der Steur (VVD), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

(…)
De heer Çörüz (CDA):
De lijn van de minister is heel verstandig. Als wij hier elke keer de mond vol hebben van preventie en wij die willen uitbreiden naar lagere scholen of naar basisscholen, gaat een aantal collega’s steigeren. Die maken zich kennelijk drukker over coffeeshops dan over de toekomst van de jeugd.

Ik wil de minister het volgende voorleggen …

De heer Van der Ham (D66):
Voorzitter. Ik heb een punt van orde, een persoonlijk feit.

De voorzitter:
Dat u een punt van orde hebt, betekent niet dat u, bam, meteen mag beginnen, mijnheer Van der Ham.

De heer Van der Ham (D66):
Daar hebt u gelijk in, voorzitter. Het is een persoonlijk feit.

De voorzitter:
Ik heb het idee dat de heer Van der Ham een punt van orde heeft.

De heer Van der Ham (D66):
Ja, exact. Ik heb grote moeite met de woorden van de heer Çörüz. Hij pakt een moral highground die hem helemaal niet past. Alle fracties in de Kamer zijn groot voorstander van harde handhaving van de grens van achttien jaar. Het blijkt dat ook coffeeshops die leeftijdsgrens goed handhaven. Als de heer Çörüz andere fracties die vraagtekens zetten bij de effectiviteit van voorgestelde maatregelen, neerzet als niet geïnteresseerd in de toekomst van de jeugd, vind ik dat schandelijk. Ik neem daar grote afstand van. Ik hoop dat hij dat erkent.

De voorzitter:
De heer Van der Ham heeft zijn punt gemaakt. Misschien wil de heer Çörüz daarop reageren.

De heer Çörüz (CDA):
Voorzitter, ik neem daar niets van terug. De heer Van der Ham en ik verschillen hierover van mening. Als hij wil opkomen voor de coffeeshophouder, mag dat. Ik kom op voor de scholen. Ik wil die coffeeshops niet in de buurt van scholen hebben.
(…)

Nine Kooiman (S), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

Nine Kooiman (S), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

Mevrouw Kooiman (SP):
Verschillende collega’s hebben al gezegd dat coffeeshops goed handhaven. De consequentie van dit beleid is dat ongeveer de helft van het aantal coffeeshops moet sluiten. Waar moeten die coffeeshops dan heen, is mijn vraag aan de minister.

Minister Opstelten:
Het kan zijn dat zij moeten sluiten. Het kan ook zijn dat zij een plaats vinden in een andere gemeente in de regio. Daar moeten wij goed naar kijken. Een consequentie van het beleid kan immers zijn dat coffeeshops zich verplaatsen. Gemeenten hebben het daarover en vragen mij wat ik ervan vind. Ik zeg dan dat het in de eerste plaats hun eigen zaak is, dat het lokaal beleid is. Zij moeten opereren binnen de spelregels die wij opstellen.

Mevrouw Kooiman (SP):
Ik probeer het nog een keer, want ik vroeg waar zij dan heen moeten. Mijn grote zorg is dat zij worden verplaatst naar plekken waar totaal geen toezicht is vanuit de samenleving. Laten wij kijken naar het werkelijke probleem. Maar 1% van alle basisschoolleerlingen heeft misschien ooit een keer een trek van een blow genomen. Dat is dus niet zozeer een probleem. Mijn punt is dat het toezicht moet blijven bestaan op degenen die coffeeshops bezoeken, dat er sprake moet zijn van sociale controle. Is de minister dat met mij eens?

Minister Opstelten:
Daar ben ik het mee eens. Het kan dus niet overal. Er zijn gemeenten waar het niet past en zijn gemeenten waar het wel degelijk kan. Ook voorgangers van mij hebben al die grens van 250 meter gesteld, die nu gefaseerd wordt uitgebreid naar 350 meter. Het denken daarover is dus al eerder gestart. Dit beleid moet hier en daar geëffectueerd worden. Het is niet makkelijk. Het is niet iets wat je zomaar doet.
(…)
Minister Opstelten:
Er is ook gesproken over de export van hennep. Aan het begin hebben wij het hierover al gehad, zij het niet zo specifiek. Er is hierover een uitzending van Reporter geweest evenals een artikel in De Groene. Als ik het me goed herinner, hebben de heer Van der Ham, de heer Dibi en mevrouw Bouwmeester hierover gesproken. Zij vroegen mij wat ik hiervan vind. Uit verschillende beredeneerde aannames komt naar voren dat de hoeveelheid hennep die in Nederland wordt geproduceerd, het gebruik ruim overstijgt. Daardoor is het aannemelijk dat een aanzienlijk deel van de Nederlandse productie bedoeld is voor de export. Eind 2012 verschijnt wederom het vierjaarlijkse Nationaal dreigingsbeeld georganiseerde criminaliteit, waarin een precieze, actuele schatting van het exportpercentage zal worden gegeven. De Kamer zal hierover te zijner tijd uiteraard worden geïnformeerd.

Ivo Opstelten (VVD), minister van veiligheid en justitie, 28 maart 2012 (© Gonzo media)

Ivo Opstelten (VVD), minister van veiligheid en justitie, 28 maart 2012 (© Gonzo media)

Over de ambities en de taakstellingen bij de aanpak van de drugscriminaliteit hebben wij voldoende gesproken. Mevrouw Kooiman heeft vragen gesteld over het testen van het THC-gehalte door coffeeshops; ook de heer Van der Steur heeft daarover gesproken. Coffeeshops bieden nu al een breed assortiment van cannabissoorten. Zij hanteren vaak een menukaart. Per type cannabis worden verschillende prijzen gehanteerd, die mede worden bepaald door het THC-gehalte. Coffeeshophouders hebben dus nu al kennis van de sterkte van de cannabis die zij aankopen. Er is apparatuur op de markt waarmee dit wordt gemeten. Coffeeshops zijn de laatste decennia, mede doordat ze zeer lucratief blijken, uitgegroeid tot professionele ondernemingen, die in staat zijn om zich aan te passen aan de eisen die aan hen gesteld zijn. Wij verwachten dan ook dat de coffeeshophouders zeer wel in staat zullen zijn om cannabis te verkopen die een THC-gehalte heeft dat onder de grenswaarde van 15% valt. Dit is dus heel goed te handhaven.

Gevraagd werd naar het meten van het THC-gehalte als voorbereidingshandeling. Dit is een aspect dat meer hoorde bij de behandeling van het wetsvoorstel dat voor gisteravond op de agenda stond. Wij moeten echt niet toe naar een situatie waarin het bezit van controleapparatuur de coffeeshophouder strafrechtelijk wordt tegengeworpen. Dat kan niet. Dit had ik gisteravond willen zeggen.

(…)
De heer Van der Ham (D66):
Bezit van de apparatuur die het percentage THC in wiet moet meten, is niet verboden, maar die apparatuur moet wel ergens gekocht worden. We moeten het wetsvoorstel dat dit mogelijk of onmogelijk maakt, nog behandelen. Blijft het kopen van de apparatuur nog steeds mogelijk? Dat is mijn eerste vraag. Mijn tweede vraag is de volgende. De keuze voor 15% THC is beargumenteerd met het feit dat meer dan 15% gevaarlijk is, zo gevaarlijk dat je het om die reden als harddrug moet categoriseren. Andere bestanddelen in cannabis, zoals CBD, zijn daarvoor echter net zo relevant. Welke maatregelen wil de minister nemen om het gezondheidsaspect te verbeteren? U wijst nu naar de minister van VWS, maar u gaat over de percentages waarop wordt gehandhaafd.

De voorzitter:

Ik ga nergens over, maar de minister van Veiligheid en Justitie wel.

Minister Opstelten:
Ik denk dat de lijst-Garretsen het primaat is van de minister van VWS. De conclusie wat we ermee doen, wat waar wordt verkocht, en de handhaving zijn voor mijn rekening. De kern van de vraag was dan ook hoe ik ga handhaven. We moeten de wet niet zo interpreteren dat men geen instrumentarium kan krijgen en toepassen. Het is instrumentarium is er.

De voorzitter:
Tot slot, mijnheer Van der Ham.

De heer Van der Ham (D66):

Stel je voor dat er iets wordt verkocht waarin men net boven die 15% zit, bijvoorbeeld 15,5%, omdat de apparatuur bijvoorbeeld niet helemaal scherp is. Hoe wordt in de rechtszaal omgegaan met dit soort onvolkomenheden? Hoe sterk staat de minister dan?

Minister Opstelten:

Dat is een goed punt, maar dan gaan we in de diepte over de handhaving. Er is natuurlijk over nagedacht. Tijdens controles van coffeeshops zal de politie steekproefsgewijs monsters nemen van de cannabisvoorraad om daarvan het THC-gehalte te laten controleren door het NFI. Dat gaat het beoordelen. Daarna komt het terug. Dat is de basis waarop beslissingen worden genomen. Dat is de uitvoering van dit beleid. We hebben normaal een grens van 15% en daaroverheen mag je niet. Het is geen snelheidsmeting op de grote weg.
(…)
De heer Dibi (GroenLinks):
In 2008 werd een schokkend cijfer geïntroduceerd door de Taskforce georganiseerde hennepteelt, namelijk dat 80% van de hennepteelt bedoeld was voor de export. Er werd gezegd dat de hennepteelt in omvang de oppervlakte van Utrecht beslaat, dat Nederland zo’n beetje het grootste exportland is en dat hennep na bloemen ons belangrijkste exportproduct is. Dat beeld heeft het drugsdebat in Nederland erg gevoed. Het blijkt nu niet te kloppen. Tenzij de minister kan aangeven dat het wel klopt. Dat is dan ook mijn vraag.

Minister Opstelten:
Ik heb dit even gereleveerd, omdat ik me goed herinnerde dat de heer Dibi dat zei. Het betrof een uitzending van KRO Reporter. Harde geregistreerde gegevens over de export van hennep zijn moeilijk te geven, aangezien het een illegale markt betreft, die zich immers kenmerkt door de afwezigheid van registraties en cijfers. Desalniettemin zijn er in de afgelopen jaren verschillende rapporten gepubliceerd waarin toch een poging wordt gedaan om de omvang van de exportmarkt de kwantificeren. Het zal gezien het voorgaande niet verbazen dat deze verschillende rapporten geen eenduidig beeld schetsen. Wel komt uit de verschillende beredeneerde aannames naar voren dat de hoeveelheid hennep die in Nederland wordt geproduceerd, het gebruik ruim overstijgt. Het is dus aannemelijk dat een aanzienlijk deel van de Nederlandse productie bedoeld is voor de export. Eind dit jaar verschijnt het Nationaal dreigingsbeeld 2012, waarin die gegevens zullen staan. Ik zal erop toezien dat we hierover specifieke gegevens zullen krijgen.

De heer Dibi (GroenLinks):
Graag, want in 170 tot 180 landen wordt voorzien in de eigen teelt. Er is dus eigenlijk helemaal geen exportmarkt. In het Nationaal dreigingsbeeld 2008 werd gesteld dat de export varieert van 15% tot 74%. Dat is een enorme range. Ik ga ervan uit dat er in het nieuwe dreigingsbeeld een duidelijker percentage zal staan, want nu is het nattevingerwerk. Het beeld van de 80% weerklinkt constant in het debat, maar er is niets van waar; dat erkent ook de minister. Het is aannemelijk. Toch?

Minister Opstelten:

Ik heb gezegd dat het heel moeilijk is om bij criminele, illegale handel precieze cijfers te geven over de export en de import, van wat voor eigen gebruik is en wat naar het buitenland gaat. Niemand geeft dat op. Het is dus een inschatting. Het zijn altijd aannames; dat kan niet anders. De cijfers zijn van 2008, maar in 2012 verschijnt er een nieuw Nationaal dreigingsbeeld. Het is wel duidelijk dat de export nadrukkelijk overheerst.

De voorzitter:
We gaan nu echt verder, mijnheer Dibi.
(…)

Edith Schippers (VVD), minister van VWS, drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

Edith Schippers (VVD), minister van VWS, drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

Minister Schippers:
Voorzitter. Ik dank de leden voor hun inbreng in de eerste termijn. Luisterend daarnaar, is het mij heel helder dat over de resultaten van het drugsbeleid heel verschillend wordt gedacht. Sommige mensen vinden dat het gedoogbeleid gefaald heeft. Anderen zijn van mening dat het een enorm succes is. Ik vind dat het gedoogbeleid in zijn algemeenheid redelijk succesvol is, maar wel zwarte randen heeft. In mijn ogen moeten wij dan ook een beleid voeren waarmee wij het succes behouden en de zwarte randen weghalen.

Het Nederlands drugsbeleid steunt op twee pijlers, die van de bescherming van de volksgezondheid enerzijds en die van de bescherming tegen overlast en criminaliteit anderzijds. Het is belangrijk dat beide pijlers met elkaar in evenwicht zijn. Uit de evaluatie van het beleid bleek dat het op het gebied van de bescherming van de volksgezondheid behoorlijk succesvol is geweest ten aanzien van het onderscheid tussen soft- en harddrugs. Tegelijkertijd constateren wij dat softdrugs veel minder onschuldig zijn dan wij misschien ooit dachten. Het beleid is verder veel minder succesvol op het terrein van de softdrugs in relatie met politie en justitie. Dat is zojuist aan de orde geweest. Tegenwoordig hebben criminelen de weetteelt in handen in plaats van een paar gebruikers met romantische plantjes op het balkon. Om die zwarte randen weg te werken, is in het regeerakkoord vooral ingezet op maatregelen die erop gericht zijn om het cannabisgebruik minder normaal te laten zijn en op maatregelen tot het verminderen van drugsgerelateerde overlast en criminaliteit. Mijn collega van Veiligheid en Justitie is daar reeds nader op ingegaan.

Ik ga nu kort in op de stand van zaken van de bescherming van de volksgezondheid. Daarbij behandel ik de volgende onderwerpen: trends, verslaving, jongeren en preventie. Ik begin met het goede nieuws. Het gebruik van drugs is niet toegenomen onder de bevolking. Minder jongeren beginnen met blowen op jonge leeftijd. Het aantal heroïneverslaafden is de afgelopen jaren sterk gedaald. Er is bovendien geen aanwas van jonge gebruikers van heroïne. De gemiddelde leeftijd van een methadonpatiënt is tegenwoordig ruim 50 jaar. Deze patiënten zijn in meerderheid in woon-zorgvoorzieningen gehuisvest en werven niet meer op straat. Het aantal mensen dat hulp vraagt voor problemen met cocaïne, amfetamine en ecstasy is gestabiliseerd. Infectieziekten door drugsgebruik komen weinig voor. Nederland kent overigens de laagste sterftecijfers als gevolg van een overdosis drugs. Dit heeft alles te maken met onze kwalitatief goede, professionele verslavingszorg, betrouwbare voorlichting en met de inzet van innovatieve preventie-instrumenten. Aan deze lijnen moeten wij vasthouden.

Edith Schippers (VVD) en Ivo Opstelten (VVD), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

Edith Schippers (VVD) en Ivo Opstelten (VVD), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

Er zijn echter ook zorgelijke ontwikkelingen. Ik noem in de eerste plaats het cannabisgebruik onder jongeren. Bij bepaalde groepen jongeren is cannabisgebruik inmiddels gewoon. Het gaat dan vaak om jongeren die toch al in een kwetsbare situatie zitten, zoals jongeren in de jeugdhulpverlening, vroegtijdige schoolverlaters en spijbelaars. In deze groepen ligt het gebruik van cannabis twee tot zes keer hoger dan gemiddeld. Het aantal cliënten dat zich bij de verslavingszorg meldt met een cannabisprobleem, is sinds 1994 vier keer zo hoog geworden. Tussen 2009 en 2010 steeg het aantal nog met 7%. Daarom vind ik de volgende zaken van belang: het vergroten van de weerbaarheid van jongeren tegen middelengebruik; het inzetten op vroegsignalering en gerichte, preventieve acties en het ondersteunen van ouders zodat zij eerst signaleren en vervolgens hun kinderen leren om op verantwoorde wijze met middelengebruik — in de volle breedte — om te gaan.
(…)
De heer Dibi (GroenLinks):
Ik dank de minister voor haar genuanceerde inleiding. Dat doet goed na een vooral ideologisch gedreven verhaal van de andere minister. De conclusie is dat het beleid op het gebied van de volksgezondheid redelijk succesvol is, met zwarte randen. De minister noemde ze en ik zie ze zeker ook. Maar de wietpas, de besloten club met 2000 leden, het afstandscriterium, de strafbaarstelling van voorbereidende handelingen en het verbod op hasj zijn allemaal maatregelen waarvan ook de verslavingsinstellingen zeggen dat ze jongeren — over de toekomst van de jeugd gesproken, zeg ik tegen de heer Çörüz — zullen drijven in de handen van dealers. Die dealers hebben niet alleen wiet en hasj, maar ook nog heel veel andere substanties. Hoe kijkt de minister daartegenaan?

Minister Schippers:
Ik kijk er anders tegenaan. Ik vind jongeren echt een heel andere categorie dan volwassenen. Wij hebben een speciale zorg voor jongeren. Zij groeien op en moeten nog volwassen worden. Wij hebben een advies gekregen van de commissie-Van de Donk, die een aantal dingen heeft aangegeven: coffeeshops moeten eigenlijk terug naar waar ze oorspronkelijk bedoeld zijn. U hebt er net met de minister van Veiligheid en Justitie over gedebatteerd. Het gebruik door minderjarigen moet veel sterker dan nu worden tegengegaan. In de verslavingsklinieken zien wij dat dit gebruik onder bepaalde groepen normaal is geworden. Die normaliteit moeten wij tegengaan. Dat doen wij met de repressieve kant. Daar moeten wij echt het been bijtrekken.

De heer Dibi (GroenLinks):
Ter correctie: ik had het niet over 18- maar over 18 en ouder. Laat ik een voorbeeld noemen. Je bent student en je wilt experimenteren met een jointje. Vervolgens hoor je dat je een wietpas moet aanvragen. Het wordt allemaal geregistreerd. Je denkt: dat kan risico’s opleveren als ik ooit advocaat word en als het uitlekt, word ik misschien niet aangenomen, ontslagen of wat dan ook. We zien wel vaker dat allerlei gegevens uitlekken. Als hij dat jointje bij de 06-dealer haalt over wie een collega-student het laatst had, weet niemand ervan en kan hij het toch doen. Dat zal massaal kunnen gebeuren. Alle deskundigen wijzen daarop als wij drugsgebruik gaan criminaliseren zoals dit kabinet dat doet. Ziet de minister dat risico en, zo ja, hoe wil zij daarmee omgaan?

Minister Schippers:
In de eerste plaats criminaliseert dit kabinet het gebruik van soft drugs niet. Dit kabinet zet het gedoogbeleid voort, maar scherpt het aan. In de tweede plaats kan een student — 18+ — die een jointje wil roken daar gewoon bij de coffeeshop aan komen. Het is in Nederland helemaal niet zo’n taboe als de heer Dibi suggereert, maar wij hebben privacywetgeving. Die moet gewoon gehandhaafd worden en ook de coffeeshophouder moet daaraan voldoen. Dit debat is echter zojuist ook al met de minister van Veiligheid en Justitie gevoerd. Zoals de heer Dibi het schetst, gaat het mijns inziens niet gebeuren.

De heer Dibi (GroenLinks):
Ik vind het bijzonder om van minister Schippers iets over privacy te horen. Zij en haar collega Teeven hebben een big brother award gehad vanwege ernstige privacyschendingen. Ik neem die uitspraak dus met een korreltje zout. Het is geen taboe om een jointje te roken, maar het is taboe om geregistreerd te worden en het risico te lopen dat die gegevens ooit uitlekken. Heel veel mensen willen niet dat andere mensen weten dat zij blowen en zeker niet toekomstige werkgevers. Dus nogmaals de vraag …

De voorzitter:
Tot slot!

De heer Dibi (GroenLinks):
Tot slot. Ziet de minister het risico dat mensen uit angst voor registratie en uitlekken van gegevens niet meer bij de coffeeshops gaan blowen, maar bij de straatdealers eindigen?

Minister Schippers:
Nee, dat zie ik niet, maar daar is wel beleid voor nodig. De minister van Veiligheid en Justitie heeft zojuist geschetst, wat voor dat beleid nodig is.
(…)
De voorzitter:
Ik vraag om enige bondigheid, ook in de vervolgvragen. Wellicht kan ook de minister af en toe een aantal zinnen uitspreken, al begrijp ik uw betrokkenheid bij het onderwerp. Zo duurt het echter wel heel lang.

De heer Van der Ham (D66):
Zo’n drugsdebat hebben wij al ongeveer vier jaar niet in de Kamer gevoerd. Wij mogen dan ook wel wat vragen stellen. Dat ga ik dan ook doen. De commissie Garretsen heeft inderdaad gezegd dat xtc vooral op lijst I moest, omdat het illegaal is en het criminelen zijn die dat maken. Dat klopt, maar eind jaren tachtig is de keuze gemaakt om het op die lijst te plaatsen. Toen is zelfs ook overwogen, zo houd ik de minister voor, om het als softdrugs te kwalificeren en het bijvoorbeeld bij coffeeshops gereguleerd te verkopen. Hoor ik de minister goed dat de overweging dat het op de drugslijst van verboden middelen staat, meer te maken heeft met die keuze van 20 jaar geleden dan met de schadelijkheid van het product en de manier waarop het gebruikt wordt? Je ziet namelijk ook dat het gebruik over het algemeen, uitzonderingen daargelaten, redelijk verantwoord is. Mensen gebruiken het meestal niet elke week, maar een keer in de zoveel tijd. Dat is er over het algemeen aan de hand. Dus als het gaat om de gezondheid is het niet helemaal rechtvaardig dat het op die plek staat.

Minister Schippers:
Dat heeft inderdaad te maken met de context waar ook ons land zich in bevindt, namelijk dat het in andere landen ook een harddrug is, dat wij een behoorlijke producent waren. Ik weet niet of wij dat nog zijn, maar wij zijn daar wel heel goed in. Vanwege dat soort argumenten houden wij xtc op lijst I.

De heer Van der Ham (D66):
Dat is het antwoord en dat heeft het RIVM ook gezegd. Mijn vraag in eerste termijn was wat wij daar nu van leren. Op het moment dat wij dingen gaan verbieden — waarvan de effecten niet nul zijn, absoluut niet, er zit een risico aan — maak je het eigenlijk tot een crimineel product en dan zijn wij eigenlijk verder van huis. Wat leert deze minister vanuit haar verantwoordelijkheid voor de volksgezondheid hiervan voor de nieuwe drugs die op de markt komen, met bijvoorbeeld eenzelfde soort werking? Nogmaals, het is niet risicoloos, zeker niet, want er gebeuren veel ongelukken mee, maar over het algemeen wordt het redelijk verantwoord gebruikt.

Minister Schippers:

Ik leer er twee dingen van. Het is altijd goed om te blijven evalueren. Nederland is bovendien geen eiland. Dat laatste mis ik hier en daar een beetje in het debat. Er wordt gedaan alsof er een muur om Nederland staat en alsof wij in ons eentje bepalen hoe het gaat. Dat is niet zo. Dat leer ik er vooral van.

De heer Van der Ham (D66):
Ik weet dat Nederland geen eiland is. Nederland kan echter wel een houding tegenover het buitenland aannemen. In landen in Zuid-Amerika wordt ook een debat gevoerd over drugs. Ik hoorde daarover deze week allerlei geluiden. Die willen in het internationale drugsdebat meer naar de volksgezondheid kijken. Deze landen willen meer naar de volksgezondheidseffecten kijken en willen niet onmiddellijk in de reflex van het strafrecht schieten. Dat kan hen immers weleens verder van huis brengen. Op zichzelf vraag ik de minister dan ook om dit de andere landen voor te houden: dames en heren, kijk naar wat wij met de xtc hebben gedaan en dat het ons op een aantal punten verder van huis heeft gebracht.

Minister Schippers:
De stelling dat de denkrichting internationaal gezien één kant opgaat, onderschrijf ik niet. Wij blijven een buitenbeentje in het internationale debat. Landen pakken het heel verschillend aan. Het is ook niet zo dat er meer of minder drugs wordt gebruikt in landen met een repressieve aanpak dan in landen waar drugs worden gedoogd. Je kunt dat niet zeggen. De gedachte gaat dus niet één kant op. Wel vind ik het belangrijk om de dingen goed te blijven onderzoeken, zodat wij ook weten waarover wij het hebben. Dat doet het RIVM ook.

De heer Dibi (GroenLinks):
De gedachte gaat internationaal wel één kant op, namelijk decriminaliseren. Men neemt niet per se of letterlijk en figuurlijk het Nederlandse gedoogbeleid over. Alle landen zien echter in decriminalisering de beste manier om de volksgezondheid te beschermen en de georganiseerde misdaad aan te pakken. Mijn vraag sluit aan bij die van de heer Van der Ham, namelijk die over het onderscheid tussen genotsmiddelen. Wie sec kijkt naar de schadelijke gevolgen van middelen, zou slijterijen en sigarenboeren tot besloten clubs maken en een alcohol- en een sigarenpas invoeren en zou xtc en weed legaliseren. Toch doet het kabinet dat niet. Sterker nog, het maakt een onderscheid op basis van stoffen die veel minder slecht zijn dan andere. Kan de minister vertellen waarom dit onderscheid wordt gemaakt?

Minister Schippers:
Het heeft ook met de cultuur en met de gewoonten in een land te maken. Zouden wij de sigaret, als die nu pas op de markt zou komen, goedkeuren zoals wij eerder hebben gedaan? Nee, dat zouden wij niet doen. Wat dat betreft gaat het niet alleen om ideologie maar ook om een zeer pragmatische aanpak in een samenleving. Wat wij proberen, wijst wel één kant op. Wij zien dat zowel bij alcohol als drugs het gebruik in te grote groepen jongeren ontspoort. Bij alcohol stellen wij het bezit ervan strafbaar voor jongeren onder de zestien jaar. Dat doen wij niet voor niks. Dat doen wij omdat wij vinden dat het alcoholgebruik onder jongeren ontspoort. Het is niet voor niks dat ik samen met allerlei deskundigen bekijk met welke maatregelen de ontsporing van alcoholgebruik, het misbruik, onder jongeren tegen kan worden gegaan. Ook het cannabisgebruik is wat mij betreft ontspoord. Ik kom te veel jongeren tegen die compleet out op hun bed liggen. Ik vind het echt heel treurig om te zien hoe er levens vergooid worden. Ik ben er voorstander van om harder en strikter te handhaven, op te treden en grenzen te stellen. Ik vind als liberaal dat ouders, maar ook de overheid, ten opzichte van jongeren een veel grotere verantwoordelijkheid hebben.

De heer Dibi (GroenLinks):
Nu komen wij tot de kern van het debat. Hoe bescherm je jongeren het beste? Door te criminaliseren, met verboden en met pasjes? Of door de aandacht te focussen en de handhaving in te zetten op de echte uitwassen en zwarte randen en vervolgens de mensen zelf verantwoordelijk te maken voor keuzes als zij volwassen zijn? Nu zijn immers de ouders verantwoordelijk. De vraag die ik in mijn eerste blokje stelde, is de volgende. De minister maakt van slijterijen geen besloten club met een alcoholpas, terwijl de gevolgen van alcohol veel schadelijker zijn voor jongeren dan de gevolgen van wiet. Zij doet het echter wel voor wiet. Mijn vraag is of het enige argument van de minister hiervoor gewoonte en cultuur is.

Minister Schippers:
Jongeren onder de zestien horen niet in een kroeg met bier in handen en zij horen ook niet in een coffeeshop. Zaken als criminalisering en pasjes, gaan wat mij betreft helemaal niet over jongeren. Een van de zwarte randen van ons drugsbeleid is dat het aan de kant van de criminaliteit is ontspoord. Ten aanzien van volksgezondheid vind ik dat jongeren daar überhaupt niet horen. Ik zet echt in op weerbaarheid van jongeren. Daar heb ik extra geld voor vrijgemaakt. Er lopen schoolprogramma’s, die gelukkig door heel veel scholen worden aangeboden. Ik wil dat het aantal scholen dat dit doet — daar zetten wij op in — toeneemt. Ik wil een extra contactmoment, op de leeftijd van zestien of zeventien jaar. Dat is een leeftijdsgroep die wij nu niet ondervangen. Ik heb inderdaad campagnes van televisie gehaald. Ik wil inzetten op social media om aansluiting te vinden bij hun leefwereld. Daar wil ik preventieve voorlichting geven. Die voorlichting moeten wij ook aan ouders geven. Ons hele beleid is ingezet op weerbaarheid, op opletten wat je doet omdat het niet allemaal zo onschuldig is.

De heer Dibi (GroenLinks):
Ik applaudisseer voor dit antwoord, namelijk dat het kabinet heel erg inzet op preventie en een strengere aanpak van dit soort gebruik. Dat moet niet goedgepraat worden. Ik stelde echter een andere vraag. De minister, het kabinet, maakt van coffeeshops besloten clubs met een maximaal aantal leden, een wietpas en registratie van gegevens. Bij alcohol doet zij dat niet, terwijl de gevolgen daarvan veel schadelijker zijn voor jongeren. Waarom doet zij dat niet? Is het argument cultuur, tradities en gewoonten? Of is er een ander argument te bedenken dat wat meer onderbouwing biedt?

Minister Schippers:
Er moet maatwerk worden geleverd per middel. Alcohol wordt totaal anders gebruikt in onze samenleving dan drugs, maar is wel schadelijk en heeft grote gevolgen. Ons beleid is gericht op het tegengaan van misbruik. De heer Dibi geeft voorbeelden ten aanzien van drugs, met name softdrugs. Ons beleid ten aanzien van softdrugs is met name gericht op volksgezondheid, intensivering van de handhaving en het overeind houden van het gedoogbeleid. Wij willen echter wel de criminele aspecten eruit halen. Daar zijn de maatregelen van de minister van Veiligheid en Justitie op gericht. Ik heb mij ook laten bijpraten door politiemensen. De heer Dibi zegt dat het vooral gaat om mannen van 40 die een paar plantjes op hun zolder hebben. De politiemensen die hier dagelijks mee te maken hebben, hebben mij verteld dat zij zien hoe groot en snoeihard die wereld is. Dat heeft een grote vlucht genomen. Dat romantische beeld zie ik gewoon niet.

Andre Elissen (PVV), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

Andre Elissen (PVV), drugsdebat 28 maart 2012 (© Gonzo media)

De heer Elissen (PVV):
Ik ben blij dat de minister dat romantische beeld niet ziet. Ik herken het namelijk ook niet, na 32 bij de politie. Het is absolute onzin.
(…)
Minister Schippers:
Ik denk dat er in alle landen veel aandacht is voor het drugsbeleid. Diverse onderzoeken hebben niet aangetoond dat een repressief beleid leidt tot een lagere prevalentie van drugsgebruik en een liberaal beleid tot een hogere. In de VS, een land met een repressief drugsbeleid, is het drugsgebruik bijvoorbeeld hoog. In Zweden, ook een land met een repressief drugsbeleid, is het gebruik juist laag. In Nederland is het aanzienlijk lager dan in de VS, maar wel hoger dan in Zweden. In vergelijking met andere West-Europese landen bevindt Nederland zich in de middenmoot. Ik denk dat drugsbeleid heel veel wordt onderzocht, en terecht. Er is echter niet een op-een-een link te leggen.
(…)
Minister Schippers:
Mevrouw Wiegman vroeg of er extra maatregelen worden genomen op basis van onderzoek naar vroegtijdig schoolverlaten. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat alcohol- en cannabisgebruik risicofactoren zijn voor spijbelen, een geringe schoolmotivatie en verminderde schoolprestaties. In het verlengde daarvan ligt schooluitval. Middelengebruik is een factor van belang voor schooluitval. De mate waarin middelengebruik hieraan bijdraagt, is echter onzeker.
(…)
Minister Schippers:
De heer Van der Staaij vroeg wat het langetermijnperspectief van dit kabinet is ten aanzien van het drugsbeleid. Voor mij als minister van Volksgezondheid is het belangrijk dat wij geen dogmatisch beleid voeren. Het drugsbeleid rust mijns inziens op twee pijlers, die van de bescherming van de volksgezondheid enerzijds en die van de bestrijding van overlast en criminaliteit anderzijds. Dit is volgens mij het perspectief voor de lange termijn. Het terugdringen van de vraag zit aan mijn kant. Het terugdringen van het aanbod zit aan de kant van de minister van Veiligheid en Justitie. Ons beleid is erop gericht, te voorkomen dat jonge mensen drugs gaan gebruiken. Met name het cannabisgebruik onder jongeren is veel te normaal geworden. Wij moeten die trend keren. De voorkoming van vermenging van het softdrugs- en harddrugsaanbod vind ik erg belangrijk. Wij moeten voorkomen dat wij te eenzijdige repressieve maatregelen krijgen. Een goede verslavingszorg en een creatieve aanpak is belangrijk.
(…)
Minister Schippers:
Gaan jongeren vaker blowen als coffeeshops alleen nog cannabis met minder dan 15% THC verkopen? Uit onderzoek is bekend dat er verschillende typen cannabisgebruikers zijn. Een deel van de reguliere gebruikers gaat voor het maximale effect; zij zullen dus meer cannabis in een joint stoppen of er meer achter elkaar gaan roken, maar een ander deel rookt vooral voor de smaak en niet voor het sterkste effect. Die gebruikers zullen hun rookgedrag niet wijzigen en dus minder THC binnen krijgen. Wat van groot belang is, is dat nieuwe gebruikers zullen starten met een joint die een lager THC-gehalte heeft. Dat zal een positief effect zijn van die maatregel, zeker voor jongere gebruikers, dat wil zeggen wel 18+ maar jonger dan de gebruikers die al jaren roken. De grootte van het effect op de gezondheid is niet te voorspellen en het zal ook wel enige jaren duren voordat het effect voorspeld kan worden.

De vraag is gesteld of ik de Raad voor de Volksgezondheid om een rapport over drugsbeleid wil vragen. De afgelopen jaren hebben we twee commissies gehad, te weten de commissie-Van de Donk in 2009 en de commissie-Garretsen in 2011. Zij hebben advies uitgebracht over het drugsbeleid in brede zin. Ik zie niet in wat de toegevoegde waarde van weer een nieuw advies kan zijn.

Wat zal het onderzoek over de relatie tussen THC en CBD opleveren? De commissie-Garretsen heeft gewezen op de verhouding THC/CBD in relatie tot gezondheidsklachten door cannabis. Er zijn aanwijzingen dat CBD een beschermende factor is tegen de negatieve psychische en andere effecten van THC. In de huidige nederwiet is het THC-gehalte relatief hoog en het CBD-gehalte juist laag. Dat zou een van de verklaringen kunnen zijn voor het toegenomen aantal hulpvragen de laatste jaren. Als die veronderstelling op basis van literatuuronderzoek inderdaad aannemelijk is, kan dit gegeven gebruikt worden in de preventie. Het rapport van het Trimbos-instituut, dat het literatuuronderzoek uitvoert, is begin april beschikbaar.
(…)
De heer Van der Ham (D66):
Ik heb ontzettend veel geduld, voorzitter. Dat weet u toch? Stel dat CBD iets positiefs bijdraagt. Zou het dan gemeten kunnen worden met hetzelfde apparaat als waarmee wij THC meten?

Minister Schippers:
Geen idee. Nogmaals, laten wij het rapport afwachten. Als het rapport iets goeds oplevert, dan kunnen wij er iets mee doen. Als het teleurstellend is, kunnen wij er weinig mee.
(…)
De heer Dibi (GroenLinks):
Voorzitter. Ik dank de bewindspersonen voor hun beantwoording. In de eerste termijn heeft de fractie van GroenLinks een poging gedaan om tussen een debat dat traditioneel wordt gevoerd door de mensen die drugs vies en voos vinden en de mensen die voor vrijheid en blijheid pleiten, een ander debat te wringen, namelijk over wat de beste manier is om de volksgezondheid te verbeteren en overlast en criminaliteit te voorkomen. Door Portugal als voorbeeld aan te halen, heb ik geprobeerd het debat weg te halen bij de verheerlijkers tegenover de verketteraars en het te voeren op basis van realiteitszin, nuchterheid. Ik noemde Portugal omdat dit land, geconfronteerd met grote drugsproblemen, individueel drugsgebruik heeft gelegaliseerd, gedecriminaliseerd. Dat heeft tot enorme resultaten geleid. Ik heb geprobeerd om met dat voorbeeld het kabinet trots te laten zijn op het beleid dat wij in Nederland te hebben en het ertoe aan te zetten het te verbeteren, de laatste puntjes op de i te zetten.

De reactie van het kabinet hierop is helaas blinde ideologie. Het is puur en alleen maar: drugs zijn vies en voos en daarom willen wij ze verbieden. Wij zullen, linksom of rechtsom, de coffeeshops zo veel mogelijk terugdringen. Dat zegt het kabinet niet hardop, maar dat is uiteindelijk wel het doel. Dat is jammer, want er is een totaal andere ontwikkeling gaande in de wereld. Van Kofi Annan tot ex-presidenten uit Zuid-Amerika en van Frits Bolkestein tot hoogleraar strafrecht Theo de Roos: dit zijn allemaal mensen die zeggen dat decriminalisering van drugs goed is voor de volksgezondheid, dat het slecht is voor de misdaad en dat het de staatskas spekt, dus dat het eigenlijk alleen maar voordelen oplevert.

Al jaren wisselen wij in de Kamer dezelfde argumenten voor en tegen het Nederlandse drugsbeleid uit. Die argumenten zijn vaak gebaseerd op door het ministerie van Veiligheid en Justitie beschikbaar gestelde onderzoeken. Ik zet de onderzoeksresultaten even op een rij: de hennepteelt zou in handen zijn van de georganiseerde criminaliteit, 80% van de Nederlandse wietteelt is bestemd voor de export en verdragsrechtelijke bepalingen staan regulering van de wietteelt in de weg. Geen van deze conclusies kon het kabinet vandaag onderbouwen. Of de hennepteelt in handen is van de georganiseerde criminaliteit, weten wij niet precies. Dat is vast voor een deel het geval, maar voor een groot deel niet. Dat 80% van de Nederlandse wietteelt bestemd is voor de export, is een broodje aap. Het zou kunnen, misschien. Wij krijgen later nog een onderzoek waaruit dat zou kunnen blijken. Er wordt ook gesteld dat internationale verdragen regulering van de wietteelt in de weg staan. Dat kabinet wil bijna alle internationale verdragen opzeggen en komt nu ineens met internationale verdragen als argument, als ondersteuning van het beleid.

Ik kan eigenlijk maar één conclusie trekken. Het klinkt misschien een beetje hard, maar dit beleid is kierewiet, het is gevaarlijk, het is slecht voor de toekomst van de jeugd, het is slecht voor de veiligheid in Nederland en het is slecht voor de volksgezondheid. Er zitten hier twee liberale bewindspersonen die met droge ogen antiliberale maatregelen verdedigen die kinderen meer in gevaar gaan brengen. Waar denkt het kabinet dat een ouder meer wakker van ligt, van een coffeeshop die binnen een straal van 350 meter van een school staat of van een straatdealer om de hoek van de school staat te wachten totdat hij drugs kan verkopen?
(…)
De heer Van der Steur (VVD):
De heer Dibi maakt een denk- en een redeneerfout. Het gedoogbeleid is een succes, zei hij. De VVD-fractie heeft in eerste termijn al gezegd — ik persoonlijk heb dat gezegd — dat het gedoogbeleid een groot succes is. Daarom is de VVD …

De heer Dibi (GroenLinks):
Voor een verbod op hasj.

De heer Van der Steur (VVD):
Voorstander van het gedoogbeleid zoals wij dat destijds bedoeld hadden. Het hele debat van vandaag gaat echter over de zwarte randen waarover de heer Dibi sprak. De heer Dibi vroeg naar bewijs. Dat is heel simpel: het World Drug Report 2011 van de Verenigde Naties laat simpel zien dat de Nederlandse productie van cannabis ongeveer 5% is van de wereldproductie. Dat betekent dat wij evenveel cannabis produceren als Spanje, India, Pakistan en de landen van heel Centraal-Azië bij elkaar. Dan maakt de heer Dibi de VVD-fractie niet meer wijs dat dit geen internationaal crimineel verhaal is geworden.

De heer Dibi (GroenLinks):
Mijn punt is nu juist dat met de wietpas, met de besloten clubs met maximaal 2000 leden en met het verbod op hasj van de heer Van der Steur de georganiseerde misdaad zal floreren. De georganiseerde misdaad bestrijd je pas echt door individueel gebruik door volwassen Nederlanders toe te staan. Wij staan namelijk ook toe dat die mensen alcohol drinken en dat zij een sigaret roken. Ze mogen ook een jointje roken. Dan kunnen de handhaving en de politie- en justitie-inzet volkomen worden gericht op de echte misdaad, de georganiseerde criminelen. Die bestaan; dat weet ik. Maar die bestrijd je niet door iedereen, alle drugsgebruikers, te criminaliseren.
(…)
De voorzitter:
Kort, mijnheer Van der Steur.

De heer Van der Steur (VVD):
Het spijt me ontzettend, dit is de derde keer dat de heer Dibi een antwoord geeft waarmee hij steeds verder van het pad raakt. Niemand criminaliseert hier welke gebruiker dan ook. De VVD-fractie, samen met dit kabinet, staat er juist voor dat het gedoogbeleid blijft bestaan volgens de oorspronkelijke bedoeling: kleinschalig en voor de mensen die behoefte hebben aan het gebruik van dat product, in dit geval specifiek nederwiet. De heer Dibi kan toch niet serieus beweren dat de verkoop van hasj, die voor 99% afkomstig is uit het buitenland, niet bijdraagt aan het financieren van internationale criminaliteit? Zonder internationale criminaliteit komt hasj niet naar Nederland. Het kan niet anders — ook de heer Dibi kan dit in zijn gedachtegang niet blijven ontkennen — dan dat wij daarmee zo niet direct dan toch op zijn minst indirect internationale criminele organisaties financieren.

De heer Dibi (GroenLinks):
Hasj kan ook van nederwiet gemaakt worden, dat ten eerste. Ten tweede: ik zie het punt van de georganiseerde misdaad, ook in het buitenland, maar met dit beleid floreert die nog meer. Door dit beleid wordt de georganiseerde misdaad alleen maar vrolijker, want de markt voor dit soort criminelen wordt groter. Wat gaan mensen doen die zich moeten laten registreren bij coffeeshops? Dat weet de heer Van der Steur net zo goed als ik: die gaan daar niet meer heen. Zij willen niet dat hun gegevens opgeslagen liggen. Waar gaan zij dan heen, mijnheer Van der Steur? Inderdaad, naar dealers, en die dealers zijn dolgelukkig met mijnheer Van der Steur. Dankzij de heer Van der Steur en een meerderheid in de Kamer kunnen zij rekenen op ontzettend veel nieuwe klanten de komende jaren.
(…)
De heer Dibi (GroenLinks):
Ik ben een trotse verdediger van het Nederlandse beleid, afgezien van de achterdeur die nog niet gerepareerd is. Nederland doet het veel beter dan andere landen wat betreft volksgezondheid. Dat zei minister Schippers ook in haar beantwoording.

De heer Elissen (PVV):
Ik nodig de heer Dibi van harte uit om al die dikke rapporten, inclusief de evaluatie van het WODC, goed te lezen. Dan merkt hij dat het allemaal reuze meevalt. Ik ben voor een genuanceerd beleid. We moeten de gebruiker niet criminaliseren. Dat doen wij ook niet, dankzij het opportuniteitsprincipe.

Waar haalt de heer Dibi overigens de onzin vandaan dat wij drugs of hasj zouden gaan verbieden? Hasj is net als andere drugs al jarenlang verboden. Wel hebben wij een gedoogbeleid waarmee wij het gebruik van de drugs door de vingers zien. Ten aanzien van coffeeshops gelden bepaalde voorwaarden. Voor de duidelijkheid zeg ik, ook voor de mensen thuis, dat ook hasj en cannabis al jarenlang verboden zijn. Laat dat duidelijk zijn. We mogen blij zijn met wat er nog overblijft dankzij de aanscherping van het gedoogbeleid.
(…)
De heer Dibi (GroenLinks):
Hasj en wiet zijn illegaal, maar wij gedogen het dat mensen ze voor individueel gebruik kunnen aanschaffen in een coffeeshop. Dit zal in de toekomst niet meer mogelijk zijn als de heer Elissen zijn zin krijgt. Dit betekent dat gebruikers op een andere manier aan hun genotmiddelen zullen komen.

Het principiële bezwaar van de GroenLinks-fractie tegen het beleid van het kabinet is dat dit een inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer. Volwassen Nederlanders gaan zelf over wat zij willen drinken, eten of nuttigen. Een jointje roken is voor volwassen Nederlanders niet fundamenteel anders dan een wijntje drinken of een sigaret roken.

Ik leg nog eens de praktische vraag van de GroenLinks-fractie op tafel. Waar gaan volgens het kabinet al die Nederlanders heen die zich niet willen laten registreren en geen wietpas willen aanvragen? Het kabinet gaat ervan uit dat die mensen geen drugs meer zullen gebruiken. Dat is naïef.
(…)
Mevrouw Bouwmeester (PvdA):
Voorzitter. Na ruim vijf jaar ronden we dan vanavond toch echt het drugsdebat af. Dat is heel bijzonder. Maar we doen dat niet helemaal naar tevredenheid. De grote bron van ellende, overlast en criminaliteit is ontstaan doordat de teelt gedwongen illegaal is. Die moet in het geheim. De coffeeshop mag wel verkopen, maar niet inkopen. De teelt is daarmee in de illegaliteit gedrukt. Dat betekent dat het lucratief is voor criminelen, want zij richten zich op alles wat niet mag. Daardoor is er overlast in wijken door criminaliteit, afpersing en intimidatie. We kunnen geen kwaliteitseisen stellen aan de wiet en geen controle voeren op de boekhouding en de manier waarop de coffeeshop zaken doet, en dat allemaal omdat de overheid ervoor kiest om het niet op een goede manier te regelen. Het is heel teleurstellend dat én na vier jaar wachten én na heel veel rapporten en onderzoeken de kern van het probleem niet wordt opgelost.
(…)
Mevrouw Bouwmeester (PvdA):
Er komen heel veel mensen uit het buitenland naar Nederland, om allerlei redenen. Ik noem de Keukenhof. Daar heb ik geen probleem mee, zolang die mensen zich in Nederland maar gedragen. Als je je in Nederland gedraagt, is er geen probleem. Er zijn echter wel problemen en daar moeten we zeker iets aan doen. Dat moeten we niet doen door een wietpas te introduceren, waardoor agenten pasjes moeten controleren in plaats van boeven op te pakken en overlast te bestrijden. Agenten moeten straks ook de THC-hoogte controleren, wat heel veel werk is omdat het veel bureaucratie oplevert. Daarom moeten we naar slimme oplossingen. De PvdA wil gemeenten niet schofferen. De gemeente Venlo heeft echt gesmeekt: na jarenlange inzet is het ons gelukt om de overlast te beteugelen en het probleem op te lossen door de coffeeshop aan de rand van de gemeente neer te zetten! Wie is dan de PvdA om te zeggen: we hebben een regeerakkoord waarin iets leuks is bedacht en dat flikkeren we de samenleving in. Niemand zit erop te wachten; iedereen is ertegen. Al die gemeenteraden zijn geschoffeerd. Die hebben allemaal moties ingediend omdat ze het niet willen en bang zijn voor de overlast. Wie is dan een individueel Kamerlid of een kabinet om daaroverheen te walsen met one size fits all; we gaan het gewoon doen?
(…)
Mevrouw Kooiman (SP):
Voorzitter. Vandaag wordt weer duidelijk dat we het debat niet voeren op basis van logica en feiten, maar dat het vooral gaat over emotie. Dat vind ik erg jammer. Daarmee helpt het kabinet het gedoogbeleid langzaam maar zeker om zeep. Daar slaagt het kabinet aardig in. Volgens de SP-fractie is er een veel beter werkende optie. Mijn collega’s hebben die al genoemd, maar ik hecht er waarde aan om die optie nog eens te benoemen. Het gaat om het reguleren van de achterdeur. Alleen als je dat doet, denk je daadwerkelijk in het belang van de volksgezondheid. Alleen dan immers kun je goed controleren en reguleren wat de waarde van de THC en andere stofjes is. Ook kun je dan voorlichting geven en wijzen op bijvoorbeeld mogelijke verslavingsrisico’s. Alleen dan kom je, in mijn opinie, echt op voor de gezondheid van jongeren. Daar kiest het kabinet echter niet voor. Het kabinet wil dat dit allemaal verdwijnt naar het illegale circuit. Dat betekent meer gezondheidsrisico’s en meer politiecapaciteit. (…) Als we met het afstandscriterium gaan schuiven, is het niet meer zo dat het allemaal niet meer in de buurt van scholen, dus lekker ver weg, zit. Nee, dan hebben we de illegale scootertjes en dealers straks gewoon op het schoolplein of, misschien nog wel erger, in de school zelf. Dat is namelijk lucratief. We zorgen er eigenlijk voor dat het voor criminelen lucratief is om wiet te verhandelen.

Dit kabinetsbeleid is een zegen voor de crimineel en een vloek voor de staatskas. De minister zegt zelf dat mogelijk de helft van het aantal coffeeshops zal moeten sluiten.
(…)
De heer Van der Steur (VVD):
De VVD-fractie stelt vandaag en in dit hele debat wederom vast dat wij keihard zullen zijn en blijven tegen harddrugs. Daarnaast zullen wij het gedoogbeleid voortzetten zoals het bedoeld was. Wij zullen dus niet de richting opgaan van allerlei vormen van regulering et cetera, die door sommige partijen worden gepropageerd, zeker niet omdat wij inmiddels in dit debat hebben vastgesteld dat het simpelweg niet toegestaan is om dit op grond van internationale verdragen — wat je daar ook van vindt — te doen, behoudens het gedoogbeleid van de voordeur.
(…)
Wij weten namelijk dat wij ten aanzien van dat gedoogbeleid een uitdrukkelijk voorbehoud hebben gemaakt in datzelfde Verdrag van New York, waar de heer Van der Ham eerder al over sprak.

De heer Van der Ham (D66):
Het Verdrag van New York is gesloten in 1961. Dat kan dus helemaal niet over het gedoogbeleid gaan, want dat is pas in 1976 tot stand gekomen. Volgens mij is dit een foutje van de heer Van der Steur. De heer Van der Steur haalt allerlei rapporten aan. Een van de meest verse rapporten is dat van de commissie-Van de Donk. Daarin staat “De commissie beveelt aan de mogelijkheid van de coffeeshopclub met achterdeurregeling nader uit te werken”. Wat is de reactie van de heer Van der Steur hierop?

De heer Van der Steur (VVD):

Als de heer Van der Ham zich omdraait, ziet hij dat ik het enige Kamerlid ben in dit debat dat alle rapporten op tafel heeft liggen. Ik verwees net naar het rapport van de VN. Dat heb ik aan de heer Dibi laten zien. Het rapport van de commissie Van de Donk ligt daar ook. Ik heb die aanbeveling inderdaad gelezen. Gebaseerd op de gedachte die wij kennen en op dat wat ik net al zei over het Verdrag van New York en het naderhand door Nederland opgenomen voorbehoud -daar geef ik de heer Van der Ham gelijk in- ten aanzien van het gedoogbeleid aan de voorkant, is het mijns inziens logisch dat het advies van de commissie Van de Donk niet wordt opgevolgd door het kabinet.

De heer Van der Ham (D66):
De heer Van de Donk is geen “man van de straat”, om het maar zo te zeggen. Hij heeft namelijk behoorlijk zijn sporen verdiend. Hij is actief bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. De mensen van de commissie Van de Donk hebben het blijkbaar allemaal verkeerd begrepen en hebben niet dezelfde soort kennis als de mensen hier hebben. Is dit een politiek besluit, mijnheer Van der Steur? Uiteindelijk is er immers ruimte in de omgang met en de weging van verdragen. Ik heb het al gehad over het begrip “harm reduction”. 40 jaar geleden was dat alleen in Nederland een beetje een begrip. Dat is echter in steeds meer landen een begrip geworden op grond van hetzelfde verdrag. In bepaalde delen van de Verenigde Staten, zoals in Oakland, hebben ze een heel andere benadering van bijvoorbeeld cannabis dan in andere delen van de Verenigde Staten. Met andere woorden: de internationale verdragen worden ruim geïnterpreteerd. Dat doen wij al jaren en andere landen ook. De heer Van der Steur zal nu wel zeggen: ja, internationale verdragen. Ik zeg echter: ja, zoals wij ze tot nu toe hebben geïnterpreteerd in andere landen. Is de heer Van der Steur het met mij eens dat de interpretatie van de huidige regels opgerekt moet worden?

De heer Van der Steur (VVD):
Ik ben het niet met de heer Van der Ham eens en ook niet met zijn analyse. Ik zeg net expliciet waar het hier om gaat. Wij praten hier over het verdrag waar Nederland partij bij is. Als je kijkt naar het spectrum van links naar rechts of van rechts naar links, zie je dat de VVD-fractie samen met D66 en een aantal andere partijen het gedoogbeleid in het belang van volksgezondheid overeind wil houden. Dat zal de heer Van der Ham misschien zijn opgevallen. Dit heeft echter niets te maken met oprekken of ruimer interpreteren. Omdat het in strijd is met het verdrag, hebben wij dat voorbehoud gemaakt en daarmee kan het ook. Als vertegenwoordiger van de VVD-fractie heb ik er dan ook geen moeite mee dat dit plaatsvindt. Als wij eenmaal erin geslaagd zijn om de criminaliteit in het kader de softdrugs uit te roeien, moeten wij eens kijken waar wij staan.
(…)
De heer Van der Steur (VVD):
Het is de heer Dibi volgens mij volledig ontgaan dat er het afgelopen halfjaar een keiharde slag is gemaakt in het zuiden van Nederland met een enorme politiecapaciteit, Openbaar Ministerie, Justitie en gemeenten om er alles aan te doen en keihard te zijn tegen de grootschalige illegale hennepteelt. Deze veldslag is overigens succesvol.
(…)

De heer Elissen (PVV):
Wij ondersteunen de prima aanscherping van dit beleid in ieder geval. Wij hebben al die dikke rapporten gelezen, maar daarin niet het onomstotelijke bewijs gevonden voor het succes van ons beleid. Als ik even een vergelijking maak met die 27 landen in Europa, dan zitten wij in het midden. Er is een gebalanceerde aanpak. De goede kant van het beleid is de preventie, de voorlichting en de behandeling. Daar moeten wij vooral mee doorgaan. De andere kant van het beleid, de tweede pijler, is ook heel erg belangrijk. Bij mensen die het echt versjteren en verzieken, heb ik het niet over die individuele gebruiker, maar over criminele groeperingen. Ik ben ervan overtuigd dat dat geen mannen van 40 jaar zijn die op een zoldertje zitten. Nee, dat zijn echt criminele organisaties die nationaal en internationaal opereren. Die moeten wij op een slimmere manier proberen de pas af te snijden. (…)

De heer Çörüz (CDA):
Voorzitter. Het gedoogbeleid is volledig vastgelopen. De minister maakt dat ook klip-en-klaar. Hij gebruikte de woorden “uit de hand gelopen”, “criminaliteit toegenomen”, “averechtse uitkomst”, “coffeeshops zijn grote ondernemingen geworden”, “verwevenheid bovenwereld en onderwereld” en “de sterkte van cannabis, waarvan wij dachten dat het soft was, is toegenomen en het is keihard een harddrug”. Het drugsbeleid is toe aan aanscherping en dat staat ook in de afspraken die dit kabinet heeft gemaakt. Ik ben blij met de uitkomsten van vanavond. Het mag geen verrassing zijn dat het CDA helemaal af wil van die coffeeshops, want als wij vaststellen dat het gezondheidsproblemen oplevert, overlast geeft en criminaliteit veroorzaakt, dan kun je volgens mij maar tot een conclusie komen en dat is zero tolerance. Ik weet dat daar geen meerderheid voor is, maar die aanscherping is echt keihard nodig.
(…)
Minister Opstelten:
Mevrouw Bouwmeester vroeg ook of het kabinet bereid is de eerste aanbeveling uit het rapport van het college inzake privacyoptreden te bekijken alvorens het beleid in te voeren. De heer Dibi heeft daar ook over gesproken. Ik heb al gezegd: nee. Ik heb, zoals gezegd, het verzoek doorgeleid aan het CBP en wacht de reactie af. Ik zie geen noodzaak het antwoord van het CBP af te wachten alvorens het beleid in te voeren. Wij nemen het advies natuurlijk serieus. In de sfeer van horen en luisteren, wilde ik dat toch nog een keer zeggen.

Mevrouw Bouwmeester heeft ook een vraag gesteld over een proefproces. Proefprocessen wachten wij niet af. Wij houden natuurlijk altijd rekening met wat de rechter zegt in dit verband. Dat is het eerste wat van mij mag worden verwacht. Wij hebben echter de indruk dat wij een heel stevig beleid voeren.
(…)
Dan kom ik op motie-Van der Ham/Bouwmeester op stuk nr. 275. Het is geen verantwoordelijkheid van de overheid om deze plicht op te leggen. In de voorlichting van overheidswege over de schadelijkheid van cannabis en andere drugs is al voorzien in allerlei communicatietrajecten en projecten. Verder wordt, mede tegen de achtergrond van de mogelijke schadelijkheid voor de volksgezondheid, ingezet op de THC-maatregel van 15%. Coffeeshophouders hanteren reeds menukaarten voor de verschillende soorten cannabis die zij aanbieden en geven hierover voorlichting. Ik ontraad de motie dus.

De heer Van der Ham (D66):
Dat is opvallend. Ik heb deze motie al vaker ingediend de afgelopen jaren. Toen werd gezegd dat het niet mogelijk was omdat het niet kan worden gemeten. Nu gaat de regering zelf 15% eisen van coffeeshops. En zij krijgen zelfs een apparaat dat dit kan meten. Je kunt het dus meten. Dan kun je ook meten hoeveel erin zit en aangeven op die producten wat er onder de 15% precies in zit. Dat is heel handig, want dan weet je dat er hiervan 6% in zit en daarvan 9%, allemaal nog onder de legale grens. Dat kan dan gewoon. Met andere woorden, ik begrijp werkelijk niet waarom de minister dit niet doet. Het is een strenger beleid, waarvan de minister voorstander zou moeten zijn.

Minister Opstelten:
Het is de kern. Als we het opleggen, leggen we de verantwoordelijkheden anders. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker en van de coffeeshophouder om het aan te geven. Hij of zij moet blijven binnen het gestelde kader van 15% THC. Daarom ontraad ik de motie.

De heer Van der Ham (D66):
Ik vind het echt heel raar. 15% wordt straks de harddrugsgrens, maar daaronder is er natuurlijk wel verschil. Een wietje van 4% is iets anders dan een wietje dan 12%. Het is voor een consument toch heel handig om te weten welk wietje zwaarder en welk wietje lichter is? Het is waar dat al voor een deel in een coffeeshop wordt aangegeven wat een sterkere variant is en wat een minder sterke variant. Als men dat apparaat dan toch heeft staan en je het van belang vindt dat mensen een bewuste keuze maken, zelfs als ze al binnen staan, is het toch prima om een informatieverplichting in de AHOJ-G-criteria op te nemen over wat erin zit en wat de risico’s ervan zijn? Bijvoorbeeld: gebruik dit niet als u een verleden hebt van schizofrenie. Dat soort informatievoorziening zou de volksgezondheid kunnen bevorderen.

Minister Opstelten:
Nogmaals, dat zou kunnen, maar het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker en van de coffeeshophouder. Coffeeshophouders werken soms met menukaarten. U bent wel eens in een coffeeshop geweest en ik ook. Dan zie je dat. Laat ze dat doen, maar het is geen voorschrift in de AHOJ-G-criteria.
Ik kom bij de motie op stuk nr. 276 van de heer Dibi c.s. Ik herhaal dat het aangescherpte coffeeshopbeleid landelijk wordt ingevoerd, zodat op alle ingezetenen van Nederland dezelfde regels van toepassing zijn, ongeacht de woonplaats of de plaats waar men zich op dat moment bevindt. Dat is het verschil van inzicht tussen ons. Daarnaast schept het aangescherpte beleid duidelijkheid over wat is toegestaan. Het lokaal bestuur, de burgemeester, stelt binnen het landelijk kader, de Opiumwet en de gedoogcriteria het coffeeshopbeleid vast en voert de regie. Gemeenten staat het vrij om binnen het landelijk kader een coffeeshopbeleid met eigen accenten te voeren. Ik ontraad dus de motie.

De motie op stuk nr. 277 van de heer Dibi c.s. vraagt of de regering de kosten van de drugsbestrijding kan uitrekenen en aan de Kamer kan melden. Criminaliteitsbestrijding is de kerntaak van de overheid. Dat geldt ook voor drugscriminaliteit. Het kabinet heeft een duidelijke koers uitgezet, waarvoor ik in de Kamer ook een meerderheid bespeur. Het dient geen doel, de kosten van de bestrijding van de specifieke criminaliteitsproblemen apart uit te rekenen. Ik ontraad daarom de motie.

De heer Dibi (GroenLinks):
Een meerderheid steunt de kabinetsplannen, maar een substantiële minderheid probeert constructief mee te denken. De heer Bolkestein heeft gezegd dat de kosten van de handhaving van het drugsbeleid enorm zijn. Waarom dat niet in kaart brengen, zodat wij de afwegingen kunnen maken of het dat geld waard is of dat het misschien anders ingezet moet worden?

Minister Opstelten:
Ik vind dat niet nodig. Ik vind het ook niet wenselijk om het apart uit te rekenen. Het is hetzelfde punt als de fiscusgerelateerde inbreng van mevrouw Kooiman. Ik denk dat wij dat niet elk aspect van onze inzet apart moeten gaan uitrekenen. Daarom ontraad ik de motie.

De heer Dibi (GroenLinks):
Elke zichzelf respecterende minister zou moeten weten hoeveel hij aangeeft aan iets en of dat gerechtvaardigd is.

Minister Opstelten:

Zeker.
(…)
De voorzitter:
De heer Dibi wil nog interrumperen. Dit wordt dan wel zijn tweede interruptie.

De heer Dibi (GroenLinks):
Dat realiseer ik me. We hebben voor het eerst in vier jaar een belangrijk drugsdebat gevoerd, althans, we zijn er nog mee bezig en komen aan het einde daarvan. De oppositie heeft een aantal belangrijke zorgpunten benoemd. Een van de belangrijkste zorgpunten is dat we bang zijn dat gebruikers in de handen van dealers terecht zullen komen. Er zijn allerlei moties ingediend. Al onze moties zijn tot op heden ontraden. De minister van V en J heeft dat gedaan en ik verwacht dat ook de minister van VWS onze moties zal ontraden. Dat staat me tegen. Die opmerking wil ik wel maken. Het kabinet kijkt voor meerderheden vaak naar de oppositie. Dan is het belangrijk, zoals ik ook in mijn eerste termijn al heb gezegd, dat het kabinet luistert als er serieuze zorgen worden geuit. Het kabinet heeft tot nu toe op geen enkel punt geluisterd. Dat neem ik deze ministers kwalijk.

Minister Opstelten:
Ik wil daar heel kort op reageren. Ik heb de moties absoluut niet ontraden vanwege de afzenders ervan. Dat doe ik trouwens nooit. Het gaat om een puur inhoudelijke afweging. Dan kan er een verschil van mening zijn, maar dat moet dan ook gezegd worden. Dat is mijn antwoord aan de heer Dibi.
(…)
De voorzitter:
De stemming over de moties zal zijn komende dinsdag. Ik dank de bewindslieden en de collega’s.

Sluiting 22.30 uur.

De VOC Blog

Welkom bij het VOC, dé koepel van alle organisaties en individuen in Nederland die gekant zijn tegen het verbod op cannabis. Repressie is dure en contraproductieve symboolpolitiek. Wereldwijd vindt het Nederlandse beleid van decriminalisering steeds meer weerklank. Het is tijd voor de volgende stap: cannabis uit de strafwet.